Veenmossen

 

Roger van Beers

 

Veenmossen: niet echt populair maar boeiend

 

Veenmossen zijn niet echt populair als studieobject.

De weinige die zich met bryologie (= studie van de mossen) bezighouden lopen meestal in een boog rond veenmossen.
Het determineren van veenmossen is pas specialistenwerk en vereist veldkennis en veelal microscopisch onderzoek.
In Vlaanderen komen er circa 20 soorten voor.

 

Om veenmossen te beschrijven kan je twee wegen op, een mogelijk verstaanbare uitleg en een meer wetenschappelijke verklaring.

 

Veenmossen voor de gewone man

 

Dit bladmos (fam. Sphagnaceae) heeft naast zijn bladgroenhoudende cellen ook nog celzakjes waarin het tot 20 keer zijn eigen gewicht aan water in kan opnemen. Dit kleine plantje wortelt niet echt, maar sterft onderaan af naarmate het bovenaan groeit.
Het werkt in symbiose met de mineralen in het regenwater of kwelwater en geeft in ruil waterstof ionen af en die doen de zuurtegraad van het water en bodem zakken tot zo’n 4 a  6,5.
Het vormt een zodanige dichtheid dat er geen zuurstof meer door kan, bijgevolg kunnen de plantenresten niet rotten en stapelen zich op en zijn door de druk een vezelachtige substantie geworden die drijft op het kwelwater dat niet weg kan door de ondoordringbare bodemlaag.

Een trilveen is gevormd.

 

Turf is het eindproduct dat door de mens als brandstof werd gebruikt, de Schotten stoken er hun whisky mee wat je ook als smaak erin kunt herkennen.

 

Veenmossen wetenschappelijk (Sphagnum sp.)

 

De veenmossen vormen een sterk afgetekende groep van bladmossen met één geslacht, Sphagnum. Tot dit geslacht behoren echter een zeer groot aantal soorten (ongeveer 350). Typisch is dat veenmossen meestal slechts daar voorkomen, waar het aantal hogere plantensoorten sterk beperkt is. De lage zuurtegraad is oorzaak van het feit dat we in een veenmossenvegetatie daarenboven dikwijls planten vinden die op andere plaatsen veelal ontbreken. Dit geldt ook voor de lagere organismen die in het  “Sphagnetum” leven (bv. Arcella, Difflugia, Micrasterias …), zodat men werkelijk kan spreken van de leefgemeenschap van het Sphagnum.

Veenmossen wijken in hun bouw sterk af van de overige bladmossen. Sommige veenmossen leven ondergedoken en steken alleen hun groeitoppen boven water uit; andere groeien op plaatsen waar de lucht een zeer hoge vochtigheidsgraad bezit. Deze hygrofiele soorten staan enkel met hun afgestorven gedeelten in verbinding met de bodem, zodat zij volledig aangewezen zijn op de neerslag. Oorspronkelijk zijn de veenmossen waarschijnlijk alle waterplanten geweest; sommige ervan ondergingen aanpassingen aan het luchtleven. Toch kunnen deze terug tot de ondergedoken levenswijze overgaan en daarbij veranderen in zogenaamde “watervormen”. Waterveenmossen zijn ook meestal eenvoudiger van bouw en kunnen zich heel wat moeilijker aan het luchtleven aanpassen.

Een veenmos bestaat gewoonlijk uit een buigzame stengel, waarop talrijke zijtakjes voorkomen. Op de hoofdstengel of stam staan bladeren ingeplant (stambladeren); de zijtakjes staan telkens in de oksel van het vierde blad en op deze takken komen dan weer zijtakjes van de 2de orde voor, zodat zijtakbundeltjes worden gevormd. Op alle zijtakjes staan takbladeren ingeplant. Meestal zijn stambladeren en takbladeren verschillend gebouwd. Bij volwassen planten komen geen rizoïden voor. Alle bladeren bestaan uit één cellaag en zijn opgebouwd uit twee soorten cellen: groene, smalle en lange cellen die een netwerk vormen en grote kleurloze cellen, de zgn. hyaliene cellen, die in de mazen van dat netwerk liggen. De chlorofylhoudende cellen spelen natuurlijk een rol bij de fotosynthese. De hyaliene cellen dienen voor de opneming van zouten; ze staan langs poriën in verbinding met de omgeving en nemen derhalve de rol van de wortels over. Vele cellen vertonen ook verdikkingslijsten; ze kunnen een grote hoeveelheid water opstapelen en dienen dus als waterreservoir voor de plant.

 

Bladcellen van veenmos. Ch. Chlorofylhoudende

Cellen, Hy hyaliene cellen, m. poriën.

Veenmossen verschillen eveneens van de andere bladmossen doordat hier de gametofyt zelf een steel vormt, waarop de sporendrager of sporogoon (het eigenlijke sporenkapsel) zit. Bij de bladmossen wordt deze steel uit de onderste dochtercel van de zygote gevormd en bestaat volledig uit diploïde cellen. Bij veenmossen is de steel onder het bolvormige kapsel haploïd. Rond dit laatste vinden we de oorspronkelijke archegoniumwand; bij rijpheid van de sporogoon scheurt deze wand open en blijft als een vliesje aan de voet van het kapsel zitten. De tetraëdrische sporen worden bij het wegspringen van het dekseltje weggeslingerd en kiemen vlug tot een voorkiem, die onregelmatig lapvormig is. Uit de knoppen die zich hierop ontwikkelen groeien jonge plantjes met rizoïden. Deze laatste verdwijnen spoedig, zodat alleen een stam met takken en twee soorten bladeren overblijft; de onderzijde sterft voortdurend af, terwijl het bovengedeelte een onbeperkte groei heeft.

In een zuur milieu worden de afstervende plantendelen slechts zeer traag ontbonden. Micro-organismen, die normaal voor de rotting van de plantenresten zorgen, zijn niet bestand tegen dergelijke lage zuurtegraad, met het gevolg dat langzamerhand veenlagen gevormd worden. Nu is in veenmosplantjes een sterke capillaire werking te zien, die gemakkelijk aan te tonen is door ze in een gekleurde oplossing (bv. inkt) te plaatsen. Bij de voortdurende, opwaartse groei van de veenmosbulten wordt meer en meer water opgezogen, zodat de ondergrond stelselmatig droger wordt. Hoewel deze verandering van vochtigheidsgraad van de bodem uiteraard zeer langzaam geschiedt, kan dit toch een gevoelige verandering in de vegetatie en dus ook in het landschapsbeeld tot gevolg hebben. Uiteindelijk kan een veenlandschap zelfs tot een bos evolueren (zoals bv. sommige bossen in de Hoge Venen). Sedert verscheidene eeuwen worden de gevormde veenlagen door de mens uitgebaat; ze worden ontwaterd en afgeplagd. De afgegraven stukken (turfplaggen) worden los op elkaar gestapeld, gedroogd en als brandstof gebruikt. Losse veengrond wordt als turfstrooisel in de land- en tuinbouw aangewend.

Vanzelfsprekend schept het Sphagnetum bepaalde levensvoorwaarden in het milieu; denken we in dit verband allereerst aan het uitzonderlijk groot wateropslorpend vermogen van de veenmossen (tot 40 maal het eigen gewicht). Kenmerkend voor de ondergrond van het Sphagnetum is de armoede aan mineralen. Het Sphagnetum is dus gebonden aan zeer arme bodem, waarboven een hoge vochtigheidsgraad blijft heersen. Sphagnetum oefent een belangrijke invloed uit op de pH van het bodemwater. Men heeft vastgesteld dat in het hoogveen de pH waarden bereikt van 4 tot 4,5; regenwater echter heeft een zuurtegraad van ongeveer 5,6.

Proefondervindelijk heeft men kunnen vaststellen dat levende Sphagnumdelen en afgestorven gedeelten beide een daling van de pH teweegbrengen, maar dat het veen dit heel wat krachtiger doet. De oorzaak hiervan zou een diffusie van humuszuren zijn.

In het Sphagnetum leven een tamelijk groot aantal andere organismen: bacteriën, wieren, zwammen, eencelligen, raderdiertjes en hogere planten en dieren. Deze vormen voor de veenmossen de enige stikstofbron. 

 

 

 

Bron:    Moderne plantkunde.

 

Auteurs: Bossier – Brat – ClaeysDeconinckMessely – Van CotthemVanden Berghen.

 

Nazicht: Prof. Dr. J. Maton, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Gent.

 



Veenmos en waternavel

 

 

 

Terug naar het overzicht

 

Terug naar de Amenti Homepage