Excursie Walenbos (St-Joris-Winge)

 

Datum : 23 januari 2005

Gids :  Hans Vermeulen

Weersomstandigheden : Zonnig, maar koud (vriestemperaturen)

Onderwerp : kwelbos

Verslag : Catherine Cornette

 

De excursie begint met een stevige afdaling. Het landschap lijkt op een vallei, maar is waarschijnlijk uitgeschuurd door een gletsjer tijdens de laatste ijstijd. We gaan naar het laagste en voor ons meest interessante gedeelte.  Meteen valt op dat het om een zeer nat gebied gaat.  Men heeft vroeger getracht om afwateringsgrachten aan te leggen, maar dat is in feite nooit gelukt.  Zelfs in de zomer, als het elders zeer droog is, is het hier altijd nat en kan men hier nog paddenstoelen vinden. 

Het pad brengt ons naar een vijver met aangrenzend bosgebied, dat veel lager ligt dan de vijver.  Men kan uit de vegetatie afleiden dat het bosgebied regelmatig onderloopt, want alle boomstammen zijn onderaan begroeid met mossen veelal Gewoon Klauwtjesmos (Hypnium cupressiforme - een zeer algemeen bladmosje, het wordt gekenmerkt door sikkelvormig gekromde bladeren, vanwaar de Nederlandse naam), Gewoon dikkopmos (Brachythecium rutabulum - lijkt op het klauwtjesmos, doch wordt gekenmerkt door bleke topjes die vooral van op afstand makkelijk waar te nemen zijn), Fijn laddermos (Eurhynchium praelongum - een houtbewonend bladmosje met een ragfijne structuur, dat vooral op vochtig hout in bossen en struwelen voorkomt) en Gedrongen kantmos (Lophocolea heterophylla - een levermos met een fijn stengeltje en twee rijen bladeren. Het zou ruiken naar potloodhout of cederhout). In uitzonderlijke gevallen vindt men wel eens een ander mos, maar deze vier soorten treft men vaak samen aan.  Naast de mossen die we op bomen aantreffen zijn er uiteraard ook bodembewonende mossen, bijv. Fraai haarmos (Polytrichum Formosum),dat vaak ten onrechte  ‘Sterretjesmos’ genoemd. Voor een bladmos is het een groot plantje.  Mossen hebben immers wortel- noch vaatstelsel en blijven, om uitdroging te vermijden, meestal erg klein. Hoewel het van structuur lijkt op sterretjes is het geen Sterremos.  Sterremos (Fam. Mniaceae) is helemaal niet stervormig, zoals we later op de wandeling zullen zien.  Het mos ontleent zijn naam aan het feit dat de mannelijke voortplantingsorganen stervormig zijn. Deze kan men drie weken per jaar aantreffen, van half februari tot de eerste week van maart (dat is trouwens de periode waarin de meeste mossen hun kapseltjes vormen). Dit mosje is makkelijk te herkennen aan de rosachtige hechtdraadjes, waarmee het zich aan een substraat vasthecht. Deze zijn zeer sterk ontwikkeld en de warrige rossige massa is heel karakteristiek voor dit plantje. Met behulp van een loepje kan men een gekartelde bladrand waarnemen, alsof er op de rand van het blad haaientanden staan. De combinatie van de roodbruine hechtworteltjes en de stekelachtige bladrand doet onmiskenbaar besluiten dat het om het Gewoon  Sterremos (Mnium hornum) gaat. Uiteraard kan de determinatie preciezer gebeuren, maar dat kan enkel met de nodige vergrotingsapparatuur.  Zo vindt men in handboeken vaak dat men het aantal peristoomtanden (steeds een veelvoud van vier) moet tellen om de plant te determineren, maar deze zijn in het veld enkel met een sterke binocculaire  loep waar te nemen. Ook het haarmos ontleent zijn naam aan de structuur van de voortplantingsorganen.  Op het kapsel waarin de sporen worden gevormd zit een muts, die het uitzicht heeft van harig vezeltjes. In de meeste gevallen treft men het Fraai haarmos aan, maar op zeer natte plaatsen in het bos kan men ook het Gewoon haarmos (Polytrichum commune) vinden. In het veld zijn deze twee soorten evenwel zeer moeilijk te onderscheiden. Om uitsluiting te kunnen geven moet men een dwarsdoorsnede maken van de blaadjes en daarvoor is een microscoop nodig. Ook het  Gewoon dikkopmos heeft zijn naam te danken aan de structuur van de moskapseltjes. Bij de meeste mossen zijn de kapseltjes veel langer dan breed. Bij het Dikkopmos daarentegen is het kapseltje veeleer gedrongen en eivormig. De Nederlandse naam voor de verschillende mossen komt vaak uit Nederlanden is in de loop der tijd vaak gewijzigd.  In een recent verschenen boek over mosnamen kan men lezen dat het Gedrongen kantmos vroeger het Zijdelings platgeslagen sinterklaasmutsmos heette.

 

We vinden nog een mosje met een stervormig uitzicht, maar groter dan het haarmos. Het heeft duidelijk veel bredere blaadjes en is eveneens een zeer algemeen, bodembewonend mosje op natte plaatsen in bossen.  Het is het Groot rimpelmos (Atrichum undulatum), zo genoemd omdat de blaadjes onder de loep duidelijke rimpels vertonen. Het is minder fors uitgegroeid dan het Gewoon haarmos, het blijft lager. Haarmos- en rimpelmossoorten zijn evenwel nauw verwant en behoren tot dezelfde familie (Polytrichaceae), maar de bladen van het rimpelmos zijn breder en gerimpeld.

 

Er komt iemand met een eerder zeldzaam mosje aandragen. Het ziet eruit als een miniatuur boomvaren en behoort tot de struikvormige mossen (Fam. Thuidaceae).  Het gaat om een bodembewonend mos, nl. Gewoon thujamos (Thuidium tamariscium).  Karakteristiek voor het mos is niet alleen het varenachtige uitzicht.  Het heeft ook een donkergroen tot zwartgroen stammetje die wat stijf aanvoelt en drie- tot viervoudigsamengesteld is.  Het heeft bijgevolg een hoofdtakje met zijtakjes die op hun beurt vertakt zijn in zijtakjes en die zijtakjes lopen dan weer uit in nog fijnere zijtakjes.  Vroeger kon men dit mosjes op veel plaatsen aantreffen, maar de laatste 20 tot 30 jaar is het sterk achteruitgegaan en vindt men het niet meer in grote delen van de provincies Oost- en West-Vlaanderen.  Men treft het hier en daar nog aan in Antwerpen (bijvoorbeeld langs de Grote Nete).

We staan stil bij een klimplant waarvan de bladeren reeds verschijnen.  De Kamperfoelie (Lonicera periclymenum) is de eerste plant in het bos die uitloopt in blad.  Het is een van de zeldzame klimplanten in Vlaanderen waarvan de eironde bladeren tegenoverstaand zijn.  Daaraan is hij bijgevolg makkelijk te herkennen. Hoewel hij nu reeds in blad komt begint deze plant pas te bloeien einde mei – begin juni.  Kamperfoelie is een rechtsdraaiende klimplant.  Er zijn klimplanten die linksdraaiend zijn, vermoedelijk wordt dit genetisch bepaald. 

 

Naast de mossen vinden we op de bomen in zulke natte gebieden vaak ook een weelderige groei van korstmossen (Lichenes). Dat zijn geen mossen, doch zwammen die in symbiose leven met algen.  Het blauwgroene poeder dat we op de bomen aantreffen is de Gewone poederkorst. We vinden dit kortmos niet alleen in natte bossen, maar eerder overal.  In droge bossen reikt dat korstmos evenwel maximum één meter hoog. In zeer vochtige bossen groeit het veel hoger (hier treffen we het bijvoorbeeld tot op twee à drie meter hoogte aan). 

We vinden nogal wat aardappelbovisten (scleroderma). Dit is veeleer merkwaardig, omdat het warmteminnende zwammen zijn. D.w.z. dat deze zwammen verdwijnen zodra de temperatuur enkele dagen tot onder de 6°C duikt. Het is evenwel de laatste maanden zo warm geweest dat we ze ook nu nog aantreffen.  De gids meldt ons dat hij het nooit eerder heeft gezien dat er in het midden van de winter aardappelbovisten voorkomen. Ditzelfde geldt overigens voor talrijke andere zwammen. We zouden kunnen stellen dat het zwammenseizoen is doorgelopen tot en met Kerstmis.

In vochtige bossen zoals deze merken we ook dat de takken vaak volzitten met trilzwammen (Tremella).  Dit is een aparte soort van primitieve zwammen die eruit zien als gelei.  Het is een papperige massa die momenteel is ingevroren.  Deze zwammen kunnen in tegenstelling tot de paddestoelen tegen de vorst.  Als ze ontdooien gaan ze gewoon door met sporenvorming. Wanneer het heel droogt wordt, drogen ook deze zwammen helemaal uit en worden het zwarte vlekken. Wordt het terug vochtiger, dan zwellen ze weer op.  Dit proces kan zich tot vijftienmaal herhalen, waarna de zwam afsterft. In het Walenbos vindt men het ganse jaar door zulke zwammen. Vermoedelijk gaat het hier om een Zwarte trilzwam (Exidia plana).  Deze zwam vormt sporen over zijn volledige oppervlakte.  Doordat het oppervlak niet vlak is, maar eerder gelobd, neemt het vermogen tot sporenvorming sterk toe.

 

Onze aandacht wordt getrokken op de roestbruine kleur van het water in de talrijke plassen en beekjes. Deze kleur wordt bepaald door het ijzer dat zich in de bodem bevindt.  De hoger gelegen gedeelten van dit bos bevatten immers veel ijzerzandsteen (cfr. kerk van Aarschot).  Met het water spoelt de ijzerzandsteen uit naar de lager gelegen gedeelten, vanwaar de kleur. Uiteraard vindt men ook elders oer, maar kenmerkend voor het walenbos is dat het hier overal, in elke gracht en beek, voorkomt.

 

We lopen langs het broek richting Dolaag.  Iemand brengt een mosje aan met de vraag het te determineren.  Het gaat om Boomsnavelmos (Rhynchostegium confertum). Het lijkt erg op het Gewoon dikkopmos, maar heeft niet de bleke topjes. Een typisch kenmerk is dat het zeer sterk vastzit op de ondergrond en hiervan moeilijk los te krijgen is. De onderzijde is pekzwart (lijkend op aarde), doordat het kleine schorsdeeltjes vasthoudt. Het mos heeft talrijke hechtdraadjes waarmee het zich vasthecht aan het substraat. Het Gewoon dikkopmos (waarmee het overigens vaak samen voorkomt) ligt daarentegen los.  Het Boomsnavelmos is houtbewonend en we treffen het dus nooit aan op de bodem.

Niet alleen korstmossen, maar ook blad- en levermossen groeien in dit bos door de vochtigheidsgraad veel hoger op de bomen dan elders.

 

We komen in het laagste gedeelte van het bos, waar het overal vol water staat. We treffen hier veel grachten aan, omdat de mensen in het verleden gepoogd hebben om het gebied te draineren. Als men evenwel naast het pad loopt zit men onmiddellijk enkels diep in het water.  Het gaat hier om kwelwater.  En kwelbos is niet te verwarren met een bronbos. Het Walembos is in wezen een kwelbos en geen bronbos. Een bronbos is een bosrijk gebied waarin op één punt of op enkele punten aan het aardoppervlak water ontspringt afkomstig uit zeer diepe ondergrondse waterreservoirs waarin het water vaak reeds duizenden jaar aanwezig is.  Een kwelbos is een gebied waarin een opwaartse stroming is van het grondwater. Het water in een kwelgebied komt van veel minder diep en in plaats van een horizontale stroming is er in een kwelgebied een vertikale stroming. (cfr. theorielessen). Hierdoor is de flora van een kwelbos interessanter dan dat van een bronbos.  Een bronbos wordt meestal gekenmerkt door een sterke graad van eutrofiëring (voedselrijkdom).  Een typisch bronbos is het Elsloobos, waar we Reuzenpaardenstaart, Bittere houtkers, Paarbladig en Verspreidbladig goudveil en Hangende zegge als kensoorten aantreffen.  Deze soorten vinden we niet terug in een kwelbos.  In het kwelbos hier met de ijzerhoudende ondergrond vinden we vooral zeggemoerassen.  Dolaag is een voorbeeld van zulk een zeggenmoeras met een tiental soorten zeggen.

In een bos waar het overal nat is gaat het meestal om een kwelgebied en niet om een brongebied. In een bronbos heeft men hier en daar een plaats waar een bron ontspringt.  Ook hier kan het bos heel nat zijn, maar men vindt er duidelijk her en der plaatsen waar het water uit de bodem sijpelt. Dat vindt men niet in een kwelgebied waar het water in feite gestaag en zeer langzaam uit de bodem vloeit. Het Walenbos is een kwelbos en niet echt een bronbos, in tegenstelling tot het Elsloobos.

 

In tegenstelling tot 20 jaar geleden, toen het gangbaar was om al het dode hout te ruimen, opteert men er tegenwoordig voor om ook in het Walenbos al het afgestorven hout te laten liggen. We treffen dan ook nogal wat omgewaaide bomen aan.  Wel wordt ervoor gezorgd dat de boom niet ongunstig ligt voor andere bomen of op de weg. In dat geval worden de bomen doorgezaagd en/of verlegd.  Men doet hier bijgevolg zeer weinig aan traditionele bosbouw. 

 

Op de heuvels kunnen we weerom wat huizen aantreffen.  Het gaat om het gehucht Houwaert.  De inwoners van dit gehuchtje kwamen in de Middeleeuwen niet in het Walenbos omdat ze angst hadden voor de Moeraskoorts (of Malaria), een ziekte die toen ook hier voorkwam. Tot ongeveer de 13de eeuw was de gemiddelde temperatuur in Vlaanderen bijna 7° C hoger dan nu.  Wij spreken tegenwoordig over de opwarming van de aarde, maar dat fenomeen heeft zich in feite nog voorgedaan. Malaria komt hier momenteel niet meer voor, maar in de zomer is het hier vergeven van muggen en teken.

 

Malaria :

De term malaria komt van het de Italiaanse woorden mala (slecht) en aria (lucht), omdat men voeger dacht dat deze ziekte die vooral in de buurt van moerassen en stilstaand water voorkomt, werd veroorzaakt door vervuilde lucht. Tegenwoordig weet men wel beter : malaria is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een protozoön (een unicellulair organisme) van het geslacht Plasmodium dat wordt overgedragen door de vrouwelijke exemplaren van de Anopheles-muskiet. Het is één van de meest dodelijke ziekten en is wereldwijd verantwoordelijk voor ten minste 1 miljoen doden per jaar. Plasmodium huist gedurende zijn ganse levenscyclus in twee gastheren : de mug en de mens. De mug zuigt bloed uit een door de parasiet geïnfecteerde mens. In de maag van het insect plant de parasiet zich voort.  Na een tiental dagen zullen de nieuwe parasieten de speekselklieren van de mug innemen, waardoor eenieder die dan door de mug gestoken wordt eveneens besmet raakt.  De jonge parasieten worden vervolgens via de bloedbaan van de mens getransporteerd naar de lever en andere inwendige organen waar ze zich vermenigvuldigen zonder evenwel symptomen te veroorzaken.  Na een incubatieperiode van gewoonlijk 14-dagen komt de parasiet terug in de bloedbaan terecht waar het de rode bloedcellen aantast en vernietigt. Dit leidt tot de bekende koortsaanvallen bij de patiënt, welke beginnen met hoofdpijn en ernstige rillingen. De symptomen verdwijnen weer na een uur tot een dag, maar treden terug op wanneer jonge parasieten weerom uit de lever vrijkomen en andere rode bloedcellen innemen en vernietigen.  Naast de koortsaanvallen die gewoonlijk op zeer regelmatige intervallen plaatsvinden, treedt ook anemie (bloedarmoede) op. Er zijn vier types van malaria die elk veroorzaakt worden door een andere soort Plasmodium : P. malariae, P.vivax, P.ovale en P. falciparum (dit geeft de gevaarlijkste vorm).

 

 

Vroeger kweekte men hier op de heuvels zeer veel wijn, de zgn. Hagelandse wijn. Deze felgesmaakte, witte wijn werd zelfs tot in Italië uitgevoerd. Men tracht tegenwoordig deze traditie in ere te herstellen en dat blijkt met de opwarming van ons klimaat een succes te zijn.  De wijn is te degusteren in het Kasteel van Horst.

 

De heuvels behoren tot de zgn. ‘getuigenheuvels’.  Zij zijn getuigen van het landniveau voor het kwartair tijdvak. Na de laatste ijstijd werd het landschap danig hervormd door de uitschuring van water.  Door de ijzerzandsteen in de heuvelruggen, zijn de heuvels behouden gebleven en zij getuigen als het ware van het oorspronkelijke niveau van voor de laatste ijstijd. Ook de Kemelberg in Ieper bevindt zich op dezelfde breedtegraad.  We vinden deze heuvelruggen tot in Diest, en de steen noemt men daarom Diestiaan. De heuvels zijn in de jaren ’60 vaak verkaveld en men treft er daarom veel villawijken aan. Bovendien is er tussen de getuigenheuvels door de autosnelweg E 314 getrokken. Enkele heuvels werden omgedoopt tot reservaat, maar door de autosnelweg is het er niet echt rustig.

 

We komen in een zonnige weide waarin populieren zijn aangepland.  In één van de bomen treffen we Maretak (Mistletoe – Viscum album) aan.  Maretak is in Vlaanderen zeker geen algemene plant. Hij komt hier niet zoveel voor tenzij er kalk in de bodem zit. Het Walenbos heeft op vele plaatsten kalkhoudende kwel. Dat betekent dat er ergens in de onderlagen kalk zit opgestapeld, wat aanleiding geeft tot de typische kalkminnende flora. (Ook op het kerkhof van Brussel zou men veel Maretak aantreffen.) Maretak is een halfparasiet : het is een plant die wel chlorofyl bevat, maar voor een groot deel de nodige suikers onttrekt aan de gastheer. Met speciale wortels dringt hij door de schors van de boom tot in de sapvaten en tapt daarvan mineralen en suikers af. Toch doet hij nog voor een belangrijk deel zelf aan fotosynthese en produceert dus zelf ook nog suikers. Als de woekering van maretak in de boom niet te groot wordt, zal de boom er niet aan kapot gaan. Integendeel er wordt een soort evenwicht bereikt waardoor zowel parasiet als gastheer overleven.

Maretak heeft dikke leerachtige tegenoverstaande ovale bladeren en in de winter bevat de plant de typische witte, slijmerige bessen.  Het is aan de bessen dat de plant ook zijn andere naam dankt : Vogellijm.  In de Keltische tijd sneden de druïden de maretak uit eiken. Maretak ziet men evenwel zeer zelden op eiken, meestal vindt men hem op populieren of andere bomen. Het voorkomen van maretak op eiken was zo zeldzaam dat het werd beschouwd als een zeer bijzonder teken. Vandaar dat de druïden daarnaar op zoek gingen.  In Vlaanderen zal men de maretak in 99% van de gevallen vinden in Canadese populier.

 

We komen weer aan een beek waarin we de oerhoudende grondlaag herkennen aan de roestbruine kleur.  In de zomer vertoont het water vaak schijnbaar een oliefilmpje. Vaak denkt men dat iemand daar olie geloosd heeft, maar de film wordt veroorzaakt door bacteriën die ijzer vreten.  Ze leven bijgevolg van de grote hoeveelheden ijzer in het water.

 

We komen in het meest vochtige gedeelte van het bos.  Tot nog toe vonden we voornamelijk Amerikaanse eik (Quercus rubra) en Zomereik (Quercus robur), Hazelaar (Corylus avellana), kamperfoelie en hier en daar een berk.  Hier echter treffen we vooral Zachte berk (Betula pubescens) en veel meer nog Zwarte els (Alnus glutinosa) aan. Van deze laatste is genoegzaam bekend dat hij zeer graag op vochtige plaatsen staat.

Ondertussen staan luisteren we naar de zang van de Grote lijster, en verbazen ons erover dat deze vogel zich hier nu al vertoont.

We komen ook wat aanplantingen van populieren tegen.  Deze bomen nemen tot 500 liter water per dag op, waardoor ze vaak worden aangeplant voor het draineren van de bodem. We vinden hier bijgevolg nog resten van het verleden met in het bos en op de weilanden Canadese populieren. Mettertijd zullen deze bomen worden gerooid, net zoals de Amerikaanse eiken. De dreven die Amerikaanse eik bevatten, laat men meestal onaangeroerd, omdat de eiken vaak erg rijk zijn aan paddestoelen en bijgevolg van didactisch belang zijn.

 

Walenbos is gekend voor de wilde Kerselaar.  Het is een boom die men in Vlaanderen eigenlijk niet zoveel meer ziet. Meestal vindt men de tamme kerselaar, maar de wilde soort (Prunus Avium) kan men herkennen, aan de streepvormige schakeringen op de bast.  Overigens heeft ook de Tamme Kerselaar (Prunus cerasus) deze strepen. De Wilde kers vorm kleine rode kersen waarvan de smaak niet te versmaden is. De boom bloeit in de tweede helft van april en heeft een piramidale kroon. In bloei is hij helemaal wit met een zachtgeurende zoete bloesem.  Het is een boom die men vooral aantreft aan de bosranden en niet zozeer in het bos zelf. Het is deze variëteit die men heeft gekruist met de Sleedoorn (Prunus spinosa) om daaruit alle pruimrassen te doen ontstaan. 

 

We trekken door de Dolaag, dit is het laagste gebied waar het water van de hoger gelegen delen van het bos naartoe stroomt en blijft staan.  Er is bovendien ook veel kwelwater. Het gebied zelf is ontoegankelijk zonder lieslaarzen. De bodem is er veeleer zuur, waardoor we een vegetatie aantreffen van grote zeggensoorten : vnl. Moeraszegge, Oeverzegge, Scherpe zegge en hier en daar Pluimzegge.  Hangende zegge treffen we hier niet aan, wel op de hogere gelegen, droge gebieden met ijzerzandsteenhoudende bodem.  We trekken naar een uniek deel waar we een veenmoeras aantreffen op ijzerhoudende kwel. Het is een erg interessant gebied voor zwammen (weliswaar in het gepaste seizoen). Vorig jaar werden hier twee Gordijnzwamsoorten (Gen. Cortinarius) gevonden die nog nooit eerder in België gezien waren.

We merken weerom de vele Zachte berken en vooral de Zwarte els op.  Het gaat hier dan ook om een Elzenbroek.  Het oude Nederlandse woord broeck betekent moeras. Het is een zeer vochtige plaats waar normaliter enkel Zwarte els en soms ook wat Zachte berk voorkomen.  Tussen de Elzen staan hier en daar nog wat populieren die destijds werden aangeplant.  Deze bomen vallen gemakkelijk om omdat ze hier niet diep kunnen wortelen. In dat geval zaagt men het pad vrij en laat men de bomen liggen.

Het Elzenbroek is meestal niet rijk aan biodiversiteit, maar bevat wel een aantal typische planten.  De zeggensoorten werden al eerder vermeld.  In het voorjaar vindt men hier duizenden dotterbloemen en ook Watermunt aan en Gele lis.

Als het elders door hittegolven of lange droogteperioden kurkdroog is, staat het hier nog steeds onder water. In de zomer vinden we ook het Elzenhaantje en veel sijsjes.

Zachte berk wordt gekenmerkt door behaarde bladeren en de jonge exemplaren zijn nooit helemaal wit, maar hebben een oranje schijn.  De Ruwe berk  (Betula pendula) is helemaal wit en heeft onderaan een ruwe, zwarte bast.  De bladeren zijn ook niet behaard, maar kaal en ruw aanvoelend. Ruwe berk schuwt bovendien teveel vocht en zal bijgevolg in een Elzenbroek niet voorkomen, wel in de hoger gelegen gebieden.

Hier en daar treft men ook Zomereik aan, waaronder nogal wat ontkiemende eikels liggen.  Zulke eikels bestaan uit twee hemisferen die elk een voedselreserve bevatten. Tussen beide lobben ontspringt de kiem. Wanneer de eikel op de grond valt worden de suikers en mineralen in de lobben aangesproken om een kiemwortel te vormen.  De kiemwortel verankert zich vervolgens in de bodem, de beide lobben raken uitgeput en zullen zich dan ontwikkelen tot de eerste twee kiembladen. Bij een kiemplantje van een tweezaadlobbige plant treft men steeds twee kliembladen aan. Bij éénzaadlobbige planten is er slechts één kiemblad (cfr. Tulp). Het kiemingsproces is, zoals we kunnen vaststellen en ondanks het seizoen, volop aan de gang.

 

We vinden nog een mosplantje dat het aanblik heeft van een pluchen bolletje.  Er zijn wel meer soorten mossen die er zo uitzien, ze worden dan ook Pluisjesmossen (Dicranella spp.)genoemd. Het meest algemene pluisjesmos in een bos is het  Gewoon Pluisjesmos (Dicranella heteromalla), maar het plantje dat we vinden behoort hier niet toe. Als men de vinger over het mosje wrijft, kan men kleine groene takjes ontwaren die er bovenop komen te liggen en die wat bleker zijn dan de rest van de plant. Het gaat om het Boskronkelsteeltje (Campylopus flexuosus). De naam wijst op de kapselsteel die erg kronkelig is.  Als deze takjes (men noemt ze broedtakjes) niet aanwezig zijn, gaat het om Pluisjesmos.  Men noemt dit een broedtakje omdat dit takje indien het door een dier of via het water elders op de bodem terecht komt, tot een nieuwe mosplant kan uitgroeien met exact dezelfde genetische structuur als de moederplant. Deze voortplantingsstrategie is een alternatief voor de geslachtelijke voortplanting.  Het vormen van kapsels vraagt immers veel energie en de weersomstandigheden zijn hiervoor niet altijd gunstig genoeg. Deze mossen hebben in de loop van de evolutie het vermogen ontwikkeld om zich te klonen. Bij de meeste primitieve planten komt het klonen overigens meer voor dan de geslachtelijke voortplanting. Er zijn schimmels bekend die zich vermoedelijk al miljarden jaren klonen en niet meer aan geslachtelijke voortplanting doen.

 

We komen aan het veenmosmoeras en gaan even een kijkje nemen.

Onze aandacht wordt gevestigd op grote roestbruine vlekken op de boomschors.  Het gaat hier om een vrijlevende alge die op de boom gedijt. Deze microscopisch kleine alge heeft nog geen Nederlandse naam, maar is gekend onder de Latijnse naam Trentipholia. Vrijlevende algen gaan meestal samen met een schimmel en vormen dan een korstmos.  De Gewone poederkorst (Lepraria incana) bestaat uit een combinatie van een schimmel en deze alg.  De Trentipholia behoort tot de groep van de groene algen (Chlorophyta).  De basiskleur van de cellen is groen, maar voor het blote oog onwaarneembaar.  Wat wij waarnemen als de roestbruine kleur is in wezen een pigment dat door de alge afgescheiden wordt.

 

We vinden in dit gebied zeldzame stekelzwammen zoals de Wollige stekelzwam, de Blauwzwarte stekelzwam, Gele stekelzwam en …

In het veenmosmoeras zelf vinden we een uniek Russula soort : een Veenmosrussula (R. Sphagnofila). Typisch voor een veenmos (Sphagnum acutifolium) is dat het een stengel heeft die rechtop staat met bundeltjes van twee of drie zijtakken, die allemaal ontspringen op eenzelfde punt van de stengel. Dit is uniek bij veenmossen en het vormt dan ook een goed determinatiekenmerk.  Bij de meeste gewone mossen heeft men een hoofdstengel en maar één zijtakje. Naarmate de bundeltjes hoger komen, staan ze steeds dichter bij elkaar waardoor er een soort kropje ontstaat bovenaan de plant waar alle zijtakjes zo dicht bij elkaar komen te zitten, dat men de individuele aanhechtingspunten niet meer waarneemt.  Vandaar dat een veenmos onderaan altijd wat minder dicht bebladerd is, maar bovenaan een dense structuur vormt.  Dieper in het moeras, komt steeds minder pijpenstrootje en steeds meer veenmos voor. In de bladeren van veenmos is er een afwisseling van doorschijnende cellen met spiraalvormige verdikkingen, die het water vasthouden en smalle bladgroenbevattende cellen. Het water dat wordt vastgehouden vertegenwoordigt 94 % van het gewicht. Een vierkante meter van een veenmoskussen kan 72 l water bevatten, waarvan 57 l kan worden afgegeven, maar bij de eerste regenval terug wordt opgenomen.

Veenmossen sterven af en bovenop de afgestorven delen groeien er nieuwe veenmossen.  Daardoor ontstaat een compacte massa. Doordat de mossen voorkommen in een zuur milieu dat geen zuurstof bevat is er geen verteringsproces.  Het zure water zorgt voor een looiing waardoor er turf ontstaat. Deze turflaag leidt ertoe dat men geen vaste, solide ondergrond heeft.

 

Turf :

De turf in venen bestaat uit opgestapelde plantenafval, vooral van veenmossen. Het is een brandstof die vier tot vijfduizend calorieën oplevert. Turf wordt nog weinig als brandstof gebruikt, maar door destillatie wordt er een ganse reeks producten met industrieel gebruik uitgehaald. In de tuinbouw wordt turf gebruikt als opslorpmiddel. Hij wordt vermengd met andere grondstoffen om ze lichter en enigszins zuur te maken; champignons worden altijd gekweekt op een bodem waarin turf gemengd is.

Omwille van hun vermogen water vast te houden, gebruikt men de veenmossen als substraat voor o.a. de orchideeëncultuur. Planten of diertjes die ver moeten verzonden worden, worden ingepakt in vochtig veenmos.

In oorlogsomstandigheden werden ze gebruikt als vervangingsmiddel van watten en als isoleermiddel.

 

We vinden nog een zwammetje : de Paarse korstzwam (Chondrostereum purpureum) op dode takken.  Als men hem kwetst komt er een rood sap uit, maar dan moet hij vers zijn.

In het gebied is het nat genoeg om massaal speenkruid te hebben.  Bosanemoon staat er niet, daarvoor moet men naar drogere gebieden.

 

Een laatste mosje dat we vinden is het Gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarrosus). Het heeft een oranje stengel met groene blaadjes die klauwvormig gedraaid zijn. Het is een ruderaal mosje, dat vaak in het gras van tuinen groeit en dat zeer moeilijk te verwijderen is. Men kan het gazon kalken, maar na enkele jaren komt het terug.

 

We vinden nog een zwammetje waarvan de onderzijde allemaal vertakte plooien vertoont.  Het ontleent daaraan zijn naam : Plooivlieswaaiertje (Plicaturopsis crispa). Het ziet er een banaal zwammetje uit dat lijkt op Elfenbankje, maar zonder poriën.  Het plantje is in feite inheems in Oost-Europa (Tatra gebergte en Bohemen). Sinds de val van het Ijzeren gordijn is deze zwam met transporten meegevoerd en heeft zich hier gevestigd.  Het is een typisch voorbeeld van een neofiet.  Deze plant vervoegt bijgevolg de lange rij van exoten die door toedoen van de mens werden geïntroduceerd.  Van vele planten weten we zelfs niet meer dat het geen inheemse planten zijn: bijvoorbeeld de beuk is in wezen een Oost-Europese boom die door de mens in het stenentijdperk naar hier werd gebracht.

 

We treffen hier ook veel grasachtigen planten voor : Ijle zegge en tal van veldbiessoorten (zoals Ruige veldbies, te herkennen aan de witte haren op de stengel).  Deze veldbiessoorten treft men niet of nauwelijks aan in de Kempen.

 

Waarnemingslijst van deze excursie

 

Terug naar het overzicht van de wandelingen

 

Terug naar de Amenti-Homepage