|
|
Excursie
Zevenbronnen Dworp 20
maart 2005 Gids:
Hans Vermeulen |
Thema : Bronbos
Weersomstandigheden
: Overwegend bewolkt, doch
zacht
De oorsprong van
Zevenbronnen gaat terug tot 1380 met de vestiging van een aantal kapelanen die zich hier terugtrokken en in een kluis
leefden. Nadat ze van de hertogin Johanna van Brabant de gronden ten geschenke
gekregen hadden, beslisten ze een kloostergemeenschap te vormen, die zou leven
volgens de regels van Sint-Augustinus. De priorij van Zevenbronnen kende
vooral in de 17de eeuw een grote bloeiperiode. In 1578 toen de godsdienstoorlog volop
woedde in de Nederlanden moesten de monniken vluchten en na 1606 begonnen ze
met de heropbouw van hun klooster. In 1636 werd het goed door brand geteisterd en
op 17 april 1784 werd door de Oostenrijkse keizer Jozef II de priorij opgeheven
en vervolgens afgebroken. De kloosterkerk werd in 1788 gesloopt.
De naam Zevenbronnen
duidt op de aanwezigheid van een bronrijk gebied. Daarbij dient zeven niet strikt
te worden opgevat, maar dient het enkel te worden beschouwd als heilig getal.
In deze vallei legden de monniken door afdamming de vijvers aan, voornamelijk
voor het kweken van vis, wat van groot
belang was gezien het grote aantal vastendagen die
toenmaals gerespecteerd dienden te worden. De grote vijver, ook Molenvijver
genoemd, werd gebruikt voor de aandrijving van de kloostermolen.
Het domein maakt deel
uit van de groene gordel rond Brussel.

Ook de gids geeft een woordje uitleg
over de locatie. Zevenbronnen, in de streek zelf Zevenborren
genoemd (naar het middeleeuwse woord voor bron :
borre), was oorspronkelijk een terrein van de abdij van Tervuren. De gebouwen
vanwaar de wandeling vertrekt (nu o.a. restaurant La Pineta) zijn de laatste
resten van een priorij. Verderop vindt men tevens de restanten van een oude
watermolen. Na de Franse Revolutie (rond 1794) zijn alle gebouwen van de
kloosterorde met de grond gelijk gemaakt. De vijvers in het landschap getuigen
van de aanwezigheid van de monniken. Vis was immers een onontbeerlijke
voedingsbron voor zowel de monniken zelf als voor de plaatselijke bevolking.
Het gebied is erg heuvelachtig en bevat
7 belangrijke bronnen en een 20-tal kleinere bronnen.
We treffen een hazelaar (Corylus
avellana) aan waarvan de mannelijke katjes in bloei staan (overigens laat).
De hazelaar is een eenhuizige plant waarvan de vrouwelijke (rode) katjes zijn uitgebloeid. De
vrouwelijke bloem ziet eruit als een bladknop. Het vrouwelijke geslachtsorgaan
van de planten bestaat uit een vruchtbeginsel (een bolvormig orgaantje) met
daarop een zuilachtige structuur (de stijl) en daarop nog enkele
kleverige orgaantjes die het stuifmeel vasthouden. Dat laatste wordt de stempel genoemd
en is het enige dat men kan waarnemen bij de bloem van een hazelaar. Het
vruchtbeginsel en de stijl zitten in een knop die identiek is aan een bladknop.
De bermen in het gebied zijn erg
kalkrijk. Het bronwater voert immers kalk mee uit diepere kalklagen. Dit geeft
aanleiding tot een zeer specifieke flora en vooral ook tot een zeer rijke
paddestoelenflora. Men kan hier in het gepaste seizoen 10 soorten paddestoelen
aantreffen die elders in Vlaanderen niet voorkomen.
Het is daarom beslist een aanrader om ook in het najaar dit gebied te bezoeken.
Een kalkminnende soort eigen aan deze
streek is de Gevlekte Aronskelk (Arum maculatum) die
spijts de naam veelal niet gevlekt is. Komen er toch vlekken voor, dan zijn
deze altijd zwart. Indien ongevlekt, wordt hij soms verward met de Italiaanse
Aronskelk, een tuinplant die bij ons verwilderd voorkomt en herkenbaar is aan
de bleke nerven. De gevlekte Aronskelk daarentegen
heeft nerven die niet opvallend veel bleker zijn dan de rest van het blad. Het
is de meest pikante plant in Europa, al duurt het enkele minuten voor de
invloed zich doet gevoelen. De plant is bovendien zwaar giftig. Gevlekte
Aronskelk is een plant van de lemige bodem en zal men bijgevolg niet aantreffen
op een zandige ondergrond.

We horen ondertussen een Groene specht
en zien een Vlaamse Gaai.
We houden halt bij jonge planten : Fluitekruid
(Anthriscus sylvestris) (een schermbloemige met de karakteristieke geur
die doet denken aan wortelen) en Speenkruid (Ranunculus ficaria).
De wanden van de holle wegen zijn
bedekt mossen en klimop. Ook Hop is hier zeer algemeen, maar daarvoor is het
wellicht nog wat te vroeg. Onder de jonge planten vinden we ook Robertskruid
met het typische vijfhoekig blad en een zeer speciale doordringende geur.
Robertskruid behoort tot de Ooievaarsbekfamilie herkenbaar aan de rood aangelopen stengels.
De naam Robertskruid is een letterlijke vertaling van de
wetenschappelijke naam Geranium robertianum. Het is een Geraniumsoort
(wat mensen gewoonlijk in hun tuin zetten is overigens geen Geranium, maar Pelargonium). Typisch
voor de Ooievaarsbekfamilie zijn de vruchten met een lange snavelvormige
structuur met vijf lijsten. Aan elke lijst hangt een zaad. De lijsten zijn
elastische en kunnen oprollen. Eenmaal het zaad rijp, ontrollen de lijsten
zich, waardoor de zaden worden weggeschoten. Het is omwille van de snavel dat
we de familie de Ooievaarsbek zijn gaan noemen.
Het mos dat we vinden is zeer
herkenbaar aan de witte topjes en is dan veelal het Gewoon dikkopmos (Brachythecium
retabulum). Ook het Glad dikkopmos heeft witte topjes, en kan ermee verward
worden.
Dit gebied is de enige streek in
Vlaanderen waar de Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum)
staat. Het is een Ardense soort. Daarnaast treffen we veel Mannetjesvaren
(Dryopterus filix-mas) aan en Brede stekelvaren (Dryopteris
expansa) en Smalle stekelvaren (D.carthusiana).
In het najaar vinden we ook veel Gekraagde aardster (Geastrum triplex).
Het Gezoneerd elfenbankje (Trametes zonata) is in tegenstelling
tot het Gewone elfenbankje (T. versicolor), slechts met een knobbeltje bevestigd aan de ondergrond. Deze zwam komt in deze streek
veel voor.
We zien de ontluikende bladeren van het
Zevenblad (Aegopodium podagraria).
Het gebied bevat, omwille van zijn
specifieke ligging in een dal, een behoorlijk zuivere luchtkwaliteit, waardoor
we tevens nogal wat kortmossen aantreffen. Het Eikemos (Evernia
punastrii) is één van onze mooiste Lichene en is herkenbaar aan de witte
onderzijde en de groene bovenzijde.

Het is koraalachtig vertakt en behoort
tot de bladvormige Lichenen met duidelijk te onderscheiden onder- en
bovenzijde. Dat is niet zo bij het Gewoon rendiermos (Cladina arbuscula) : een
struikvormige lichene dat eerder rolrond is en waaraan bijgevolg boven- noch
onderzijde te onderscheiden zijn. Vooral de bomen langs de waterkant bevatten
veel mossen en korstmossen.
Vroeger werden lichenen gebruikt voor het winnen van
kleurstoffen. In de middeleeuwen werden ze dan ook op zeer grote schaal
verzameld.
De mossen die we op de boomvoeten en op
liggende stammen aantreffen, zijn meestal het Gewoon klauwtjesmos (Hypnum
cupressiforme), het Gewoon Dikkopmos (Brachythecium rutabulum),
Boomsnavelmos (Rynchostegium confertum), Fijn laddermos (Eurhynchium
praelongum) en Gedrongen kantmos (Lophocolea heterophylla).
Typisch voor Zevenbronnen is de
aanwezigheid van Tongvaren (Asplenium scolopendrium).

Het is een echte rotsbewoner, maar komt
ook langs holle wegen met zeer zware bodem (d.w.z. zuivere of kalkhoudende leem).
Men herkent aan de onderzijde van het blad de sporendoosjes die alle op
een lijn liggen. Wil
men deze varen in Vlaanderen nog vinden, dan moet men veelal op zoek gaan naar
oude muren.
In de vrije natuur, zoals hier, treft
men hem niet veel meer aan.
De Tongvaren is nauw verwant met enkele andere varens zoals de Steenbreekvaren
(A. trichomanes - een kleine varen met glanzende zwarte stengel en
kleine ronde blaadjes). Ook deze varen groeit op oude muren. Ondanks het feit
dat beide varens er geenszins gelijkaardig uitzien,
behoren ze beide tot hetzelfde geslacht (Asplenium). Typisch voor dit
geslacht is dat het voorkomt op rotsen en muren, maar zelden op de bodem. Ook
in het Nederlandse Zuid-Limburg komt Tongvaren voor.
We treffen jonge kiemplanten aan van Berenklauw
(Heracleum sphondylium), herkenbaar aan de zwarte, harige stengels.
Andere planten van de voedselrijke bodem is Zevenblad en Brandnetel (Urtica
dioica). De voedselrijkdom is hier overigens van nature aanwezig en dus
niet ontstaan door eutrofiëring.
De vijver waarrond we lopen wordt
gevoed door water afkomstig van de verschillende bronnen. Op de oevers van de
vijver zijn weerom veel mossen te vinden.
We vinden de kiemplantjes van Look
zonder Look (Alliaria petiolata), een heel algemene plant. Als de
plantjes wat groter worden, worden de bladeren meer getand. Tevens treffen we de jonge plantjes
aan van Kleefkruid (Galium aparine) en Hondsdraf (Glechoma
hederacea) met de kruisgewijs tegenoverstaande bladeren, waarin we de
structuur van de Lipbloemenfamilie reeds
herkennen. Aan het kiemplantje van
Kleefkruid kan je zien dat de Walstrofamilie oorspronkelijk tegenoverstaande
bladen had en geen bladen in kransstand. De kiemblaadjes zijn immers tegenoverstaand. De
andere blaadjes ontwikkelen zich pas later en gaan dan een ster vormen. In de vroege evolutie
moeten het bijgevolg planten geweest zijn met kruisgewijs tegenoverstaande
bladeren, die pas later ontwikkeld zijn in een kransstand. Over de familie van de sterbladigen of
de Walstrofamilie vindt men een interessante beschrijving in de Nederlandse
Ecologische flora.
Langs het water hebben we op de
meer vochtige plaatsen o.m. het Ruw walstro (Galium uliginosum) en
op de wat drogere plaatsen het Glad walstro(G. Mollugo).
De bladeren op de bloeiende takken van
de Klimop (Hedera helix) zijn niet handvormig gelobd. De vruchten van de klimop staan in een
scherm wat wijst op het feit dat de klimopfamilie zeer nauw verwant is met de schermbloemenfamilie. Het
gewone blad is duidelijk verschillend van een blad op de bloeiende stengel. Als
de bladen van de klimop afvallen worden ze verteerd
door zwammetjes. En er bestaat een minuscuul zwammetje dat enkel voorkomt op
afgestorven klimopbladen en dat men het Klimopdekselbekertje (Trochila
craterium) gedoopt heeft.
Het is een schijfzwammetjes, behorend
tot het geslacht Trochilla of Dekselbekertje, dat herkenbaar is
als zwarte stipjes aan de onderzijde van dorre klimopbladen. Het Hulstdekselbekertje (T.
ilicina) komt dan weer enkel voor op Hulst en het Laurierkersdekselbekertje
(T. laurocerasi) gedijt enkel op Laurierkers (Prunus laurocerasus). De Laurierkers is een plant
uit Zuid-Europa (Spanje en Portugal) die hier geïntroduceerd werd omwille van
zijn sierwaarde. Hij heeft glanzende bladen en in bloei vormt hij kaarsvormige
trossen met witte bloempjes met een karakteristieke
geur die erg veel zweefvliegen aantrekt. De Laurierkers bloeit in mei-juni. Er zijn
twee variëteiten : de Eigenlijke en de Portugese
Laurierkers. De plant mag niet verward worden met Laurier (Laurus nobilis),
waarvan de bladen getand zijn en die herkenbaar is aan zijn erg aromatische
geur.
Elk najaar treffen we hier eveneens
massaal veel Reuzenbovist (Langermannia gigantea) aan die het aanblik geeft van witte voetballen.
We houden halt bij plekje waar het
water over de weg stroomt. Dit water is niet afkomstig van een dalbron, maar
komt langs de helling naar beneden gestroomd. In de buurt van zulk een
waterloopje is het aangewezen te speuren naar interessante planten, zoals het Bosbingelkruid
(Mercurialis perennis).

Typisch voor Bingelkruid zijn de
kruisgewijs tegenoverstaande bladen en de kleine, groene bloempjes
die geen bloembladen hebben, doch enkel meeldraden en stampers. Omwille van
deze kenmerken plaatst men deze plant bij de Wolfsmelkfamilie. Het verschil met
wolfsmelk is dat de bladen hier niet verspreid zijn en dat er geen melksap
inzit. Er zijn twee bingelkruidsoorten, waarvan één groeit op ruderale plaatsen
: het Tuinbingelkruid (M. annua) of Gewoon Bingelkruid (dit is
een éénjarige plant die woekert als onkruid in tuinen) en Bosbingelkruid (een
typische wortelstokplant van oude, meestal vochtige bronbossen).
We horen op de achtergrond een
Boomklever en treffen op de vijver een Doodaars aan.
DOODAARS (Tachybaptus
ruficollis)
De dodaars is de kleinste onder de futen. Het is een
geblokte vogel met korte nek, stompe snavel en een kort achterlichaam. In de
zomer is hij te herkennen aan de roestrode wangen, keel en hals. Hij heeft bovendien een opvallende
lichte vlek aan de basis van de snavel. Zijn winterkleed is bleek met
kleurschakeringen van wit (nek en wangen) tot beige (kruin). In de winter is
deze vogel dan ook vooral op basis van de vorm te onderscheiden van andere
futen. De dodaars heeft een voorkeur voor plassen met een oprijzende vegetatie en zal bij onraad duiken
om zich tussen deze vegetatie te verbergen. Men kan hem eveneens aantreffen
in vijvers, traagstromende rivieren en waterbekkens. Hij voedt zich met kleine visjes, schaal- en
weekdieren en insecten. Een broedsel omvat gewoonlijk vier tot zes witte
eieren die hij legt op een platform van drijvende vegetatie. De broedperiode
duurt 19 tot 25 dagen en wordt door beide ouders waargenomen. |
De bronnetjes hebben een klein debiet
en zien eruit als traag kabbelende stroompjes of lijken soms zelfs bijna uitgedroogd.
Ze worden gevoed door het grondwater en niet door regenwater. Het gebied is
hier zowel winter als zomer even nat.
We vinden de peul van een Valse
acacia (Robinia pseudacacia) een boom die hier veel voorkomt en in
het voorjaar mooie trossen witte, welriekende bloemen vormt die zoet zijn en
eetbaar.
In de verlandingszone van een bron
dicht bij de vijver staat het Groot hoefblad (Petasites hybridus).
Het Klein Hoefblad heeft gele bloemen die lijken op madeliefjes, maar integraal
geel zijn. In beide gevallen verschijnt eerst de bloem en dan pas het blad,
maar bij het Groot hoefblad is de volgorde niet zo strikt en ziet men vaak ook
eerst een blad verschijnen. Bij het Klein hoefblad (Tussilago farfara)
verschijnen de eerste tekenen van een blad altijd nadat de bloem is uitgebloeid. Spijts
hun naam hebben Groot en Klein hoefblad niets gemeen. Het Klein Hoefblad
behoort tot de Composietenfamilie, die zowel buisbloemen als lintbloemen
ontwikkelt. Het Groot hoefblad is eveneens een composiet, maar ontwikkelt enkel
stervormige buisbloemen. Wel lijken de bladeren van beide planten sterk op
elkaar, wat wellicht aanleiding gegeven heeft tot de benaming. Wanneer men hier
in de zomer terugkomt, kan men de natte plekken niet meer zien, omdat ze schuil gaan onder de enorme bladen van het Groot
hoefblad. Vroeger werden de bladen
gedroogd om te dienen als verpakkingspapier voor o.m. boter. De plant mag niet verward worden met
het Japans hoefblad dat men in tuinen kan aantreffen
en dat geen langgerekte trossen met roze bloempjes heeft, maar eerder een
bolvormige bloeiwijze heeft met een zuiver witte bloem. Groot hoefblad staat
steeds op een zeer vochtige bodem en in Vlaanderen komen enkel de vrouwelijke
planten voor. Ze planten zich voort door stekken van de wortelstok (Klonen). In
de homeopathie zou het worden gebruikt ter bestrijding van kanker.
Aan de oevers treffen we tevens Zachte
berk (Betula pubescens) aan, waarvan de schors nooit zuiver wit is,
maar een bruin-beige tint heeft. Onderaan de stam vinden we ook niet de
typische zwarte, ruwe zones die zo karakteristiek zijn voor de Ruwe berk (Betula
pendula). De Ruwe berk vindt men in
de Kalmthoutse heide op stuifzand, terwijl de Zachte berk een voorkeur heeft voor vochtige
plaatsen.
De Zwarte Els (Alnus
glutinosa), herkenbaar aan de zwarte propjes, is
eveneens een boom van oevers en
verlandingszones. Hij heeft een voorkeur voor zeer vochtige plaatsen en kan
zelfs makkelijk overleven in het water. Het is genoegzaam gekend dat de
wortels van els bacteriën bevatten die stikstof fixeren. Het vormen van kegeltjes is bij
naaldbomen de normale bloeiwijze. Bij loofbomen is het echter veeleer
uitzonderlijk en komt het enkel voor bij het geslacht Els (Alnus). Op aarde zijn er een vijftigtal soorten els, waarvan
wij er slechts twee kennen : de Witte (of vroeger ook Grauwe) Els en de Zwarte els. De elzenpropjes
ontwikkelen zich in twee jaar. Het vrouwelijk
bloempje groeit in het eerste jaar uit tot een klein groen propje dat pas in
het tweede jaar houtig en zwart wordt en waarna zich de zaden vormen.
De moskussentjes die we aantreffen aan
de boomvoeten zijn het Gewoon sterremos (Mnium hornum) dat
ondanks de naam nooit stervormig is. Op dit ogenblik zijn de mannelijke
voortplantingsorganen zichtbaar en die zijn wel stervormig, vanwaar de naam. Het is een zeer
algemeen mos in bossen dat als bodembedekker, maar vooral rond bomen voorkomt.
Kenmerkend is het rossige stengelvilt (zgn. risines of hechtdraden) aan
de voet van de plant.
De Veldbies (Luzula sp.) behoort
tot de Russenfamilie, maar echte Russen zijn in tegenstelling tot de veldbies
nooit wollig behaard. Omdat we op een kalkrijke bodem staan wordt vermoed dat
het hier gaat om de Grote veldbies (Luzula sylvatica), een plant
die, wanneer hij bloeit in de maand mei, ongeveer 80 cm hoog wordt. Een iets
minder grote soort die we hier ook aantreffen is de Ruige veldbies (L.
Pilosa). Om het onderscheid tussen
de planten te kunnen maken moet men de bloeiwijze inspecteren. Typisch aan de veldbiezen is in ieder
geval de onmiskenbare witte wollige pluizen.
De vraag wordt gesteld waarom deze
plant die enkel in het bos voorkomt niet Bosbies wordt genoemd en waarom de
Bosbies, die nooit in een bos voorkomt niet Veldbies wordt genoemd. Er zijn in wezen verschillende soorten
veldbies waarvan de Veelbloemige veldbies wel altijd langs velden en bermen voorkomt. Vandaar dat
men alle planten van dit geslacht Veldbies heeft gedoopt. De Bosbies is een zeer forse plant die
enkel voorkomt op natte, moerassige plaatsen. Vroeger waren dat inderdaad
bosgebieden, maar bossen werden gerooid, waardoor de plant tegenwoordig in
natte weilanden voorkomt en in feite nooit in bossen wordt aangetroffen.
Op de bomen treffen we weerom een
korstmos aan : Gewone poederkorst (Lepraria
incana). Een zeer algemeen blauw-groenkkleurig korstmos dat we vinden op de
boomstammen en ook op de bodem rond de bomen.
We houden halt bij de rozet van Vingerhoedskruid
(Digitalis grandiflora), een tweejarige plant, met vaak een
driejarige levensloop.
Typisch voor deze plant is dat in het eerste jaar de bladeren
gevormd worden in de vorm van een rozet, die in het daaropvolgende beginnen te
bloeien en vervolgens afsterven.
In de verlandingszone treffen we Riet
aan met vlak ernaast een bamboesoort uit Japan :
Metake (Pseudosasa Japonica). De plant hoort hier niet thuis en is in
feite een restant van toen dit gebied nog privé-eigendom was en met allerlei
uitheemse planten werd aangeplant.
We doorkruisen een kwelplaats midden op
de weg die uitmondt in de vijver. Heel typerend voor de randen van de
kwelplaatsen is de opslag van Watermunt (Mentha aquatica).
We richten onze aandacht op de kleine
vijver in de hoop een IJsvogel (Alcedo atthis) te kunnen
‘spotten’, maar worden verwelkomd door een Halsbandparkiet. Deze soort
komt massaal voor in de Brusselse rand, maar zou niet echt een bedreiging te
vormen voor inheemse soorten.
Op het water ligt een
film van stuifmeel en dobbert een zwarte Zwaan (nog een exoot).
Het Beukendopgeweizwam (Xylaria
carpophila) komt enkel voor op de vruchtdoosjes van de beuk. 
De Witte abeel is herkenbaar aan
de ruitvormige kurkporiën of lenticellen. Deze ademporiën komen voor bij zowel
de Witte als de Grauwe Abeel
(of Witte en Grauwe populier).
Het Dooiermos is een korstmos
dat men vaak aantreft op bomen en weidepalen. Het gaat hier bijna steeds om het
Groot dooiermos (Xanthoria parientina) dat te herkennen is aan
zijn schijfvormige structuur.
Dit Lichene is een indicator voor SO2-vervuiling van
de industrie. Het
korstmos komt in heel Vlaanderen voor, wat betekent dat onze omgeving nog danig
vervuild is.
We vinden een zwammetje
met een doolhofachtige structuur aan de onderzijde. Het is bijgevolg geen buisjeszwam. Het is
de Wijdporiekurkzwam (Datronia mollis), die in de vorm van een
korst groeit en niet echt een hoed vormt. Verse exemplaren bevatten op de poriën een helwit
poederlaagje dat na kneuzing bruin wordt.
Ook de Kogelhoutskoolzwam (Daldinia
concentrica) wordt aangetroffen. Het is een zwarte en keiharde zwam op hout. In doorsnede is de zwam concentrisch gezoneerd. Hij heeft
een voorkeur voor bomen met een neutrale tot basische schors. Men treft hem dan
ook frequent aan op Es, maar nooit op Eik of Beuk (vanwege de te zure schors).
Het is beslist geen algemene soort in Vlaanderen.
In Vlaanderen komen vier
veldkerssoorten (Cardamine sp.) voor : de Kleine
veldkers (Cardamine flexuosa), de Bosveldkers (C. hirsuta),
de Bittere veldkers (C. amara) en de Pinksterbloem (C.
pratensis). Ze ruiken allemaal naar Tuinkers (cresson), dit is een vijfde
soort die enkel in tuinen gekweekt wordt en gebruikt wordt voor consumptie. Van de
vier inheemse soorten zijn er twee met kleine bloemen : de Kleine veldkers en
de Bosveldkers en twee met grote bloemen (> 1cm) : de Bittere veldkers en de
Pinksterbloem. Waterkers
heeft met deze groep niets te maken, want behoort niet tot het geslacht Cardamine. De kleine
veldkers is makkelijk te onderscheiden van de Bosveldkers, doordat hij vrijwel
kaal is. De
Bosveldkers daarentegen is zeer duidelijk en dicht
behaard. Vaak komen beide soorten samen voor. De kleine veldkers is geen
bronbosplant, maar veeleer een hardnekkig onkruid dat ook in tuinen voorkomt. De
Bosveldkers is daarentegen wel meer typerend voor
oudere bossen. De Bittere veldkers treffen we hier gek genoeg niet aan, want
het is een typische kwel- en bronbosplant. De Pinksterbloem is dan weer een plant
van de hooilanden.
We vinden een Esdoornblad met zware vlekken : de inktvlekkenzwam. De zwarte vlekken zijn
in feite een depot van voedingsstoffen voor de zwam. Als de vlekken te zwaar
worden voor het blad, vallen ze naar beneden en vertoont
het blad dus gaten. In het voorjaar verschijnen de geslachtelijke
voortplantingsorganen van de zwam op de zwarte vlekken. Om deze vruchtlichamen te vormen worden
de suikers benut, die in de zwarte vlekken zijn opgeslagen. Zulk een voedselreservoir wordt een sclerotium
genoemd. Het
is typerend voor deze groep van zwammen die voedsel opslaat in zwart weefsel. Dit weefsel
bestaat uitsluitend uit dikwandige zwamdraden. Met de loep kan men zien dat de
inktvlek een gelobd uitzicht heeft. Deze zwam komt enkel voor op Esdoorn en is
in feite samen met de boom zelf geïmporteerd. De Esdoorn is een exoot die het
hier zo goed doet, dat er vaak niets anders meer groeit. Vandaar dat
bosbeheerders vaak Esdoorns kappen, om deze vrij agressieve plant wat terug te dringen.
Ook op de Wilg kan een inktvlekkenzwam
voorkomen, maar deze is veeleer zeldzaam.
Naast de inktvlekkenzwam vinden we de Donkergrijze
Korstkogelzwam (Hypoxilon serpens).
Het seizoen is gunstig voor het vinden
van amfibie-eieren, zoals de paddendril.

De schors van Haagbeuk (Carpinus
betulus) lijkt op die Beuk, maar is evenwel altijd
getorst. Een kenmerk dat men nooit aantreft bij beuk. Bovendien is het blad in
tegenstelling tot dat van de beuk, dubbel ingesneden. Ook het schudblad van de
haagbeuk is zeer herkenbaar.
Het bestaat
aan twee kleine zijlobjes en een grote centrale lob. De haagbeuk
hoort niet thuis in de Kempen.
Typisch voor de holle wegen in deze
streek is de Eikvaren (Polypodium vulgare). Het blad is
enkelgeveerd en op de onderzijde vindt men rolronde sporendoosjes.
In een Valse Acacia treffen we Maretak
aan, een getuige van de kalkrijke bodem.
We komen op het mycologisch meest
interessante stukje van het gebied : een oude boomgaard.
Tussen het gras herkennen we het Gewoon
haakmos (Rhytidiadelphus squarrosus), aan
de oranje stengel. Het is het taai mos dat de grasmat
ontsiert.
We vinden ook het Gewoon schildmos
(Parmelia sulcata) aan : een Lichene met een
erg oneffen oppervlak, alsof het met een hammertje werd bewerkt. Het mosje was
enkele jaren geleden bijna volledig uit Vlaanderen verdwenen en komt nu door de
betere luchtkwaliteit weer overal voor. Ook het Gestippeld Schildmos (P.
subrudecta) vinden we hier.
De Foptandzwam (Basidioradulum
nobles) is typerend voor fruitbomen, en komt vooral op Kerselaar voor. Het
zwammetje vormt ronde cirkeltjes met een witvezelige rand en een oranje-bruine
kern en stompe tanden. Het behoort niet echt tot de tandzwammen, vanwaar de
naam.
Op een oude Kerselaar vinden we
eveneens een oude, zieltogende Zwavelzwam (Laetiporis sulphureus) in
stukken aan de voet van de boom.
Op deze wei vinden we ook een drietal
verschillende soorten Wasplaat (Hygrocybe sp.) ( o.a.
Hooilandwasplaat, Zwartwordende wasplaat en Papegaaizwammetje). Wasplaten zijn zwammen die erg mooie
kleuren hebben en enkel voorkomen in schrale graslanden.
De Brede Stekelvaren (Dryopteris
dilatata) is onze meest algemene bosvaren. Typisch is zijn meervoudig
geveerde blad met onderaan, waar de zijtakjes stoppen, bruine vliezige schubben. Zijn deze
schubben éénkleurig bruin dan gaat het om de Smalle stekelvaren (D.
carthusiana). Als daarentegen de kern van de
schubjes donkerbruin is en de randen bleekbruin, dan gaat het om de Brede
stekelvaren. Deze plant is zeer nauw
verwant met de Mannetjesvaren (D. filix-mas), die meestal op
vochtiger plaatsen staat. Deze planten behoren geenszins
tot de groep van de Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina), die
meestal op de oevers van sloten en beken staat.
De Boshyacint (Hyacinthus
orientalis) heeft een klein areaal. Men treft hem aan in Vlaaderen, in een
stuk in Nederland en in Zuid-Engeland. Bovendien komt hij enkel voor op leem en
op kalk en niet op zand. (Deze plant komt veel voor in het Hallerbos.)
We vinden de kegeltjes van de Japanse
lork (Larix kaempferi – ook nog Goudlariks
of Goudlork genoemd). Bij de Japanse lork zijn de
kegelschubjes naar buiten opengeplooid. De Europese lork (L. decidua)
heeft aanliggende, rechtopstaande schubben. Er bestaat ook een mengvorm,
waarvan de schubben ook recht staan, maar enigszins naar buiten omgebogen zijn. De mengvorm is
ontstaan op een Engels landgoed (van Lord Dunkeld). Omdat deze mengvorm veel sneller groeit
dan de beide ouders wordt deze hybride voor commerciële doeleinden gekweekt : de Dunkeldlariks (Larix X eurolepis). In
Vlaanderen vinden we de Europese lork alleen in
parken. In bossen gaat het meestal om de Japanse lork
of de hybriede.
Terug naar de Amenti
Wandelpagina