Excursie Hallerbos (Halle)

Datum: 24 april 2005

Gids: Hans Vermeulen

Verslag: Catherine

 

 

Weersomstandigheden : Zonnig

 

 

Inleiding

Het Hallerbos wordt in deze periode druk bezocht omwille van de talrijke Boshyacinten die momenteel in bloei staan. Tijdens de wandeling krijgen we van onze gids een sleutel aangereikt om plantenfamilies te bepalen.  Af en toe wordt dan ook de nodig instructie gegeven om deze sleutel te leren gebruiken.

 

Excursie

De Boshyacint  is een plant met een zeer beperkt areaal : enkele delen van Zuid-Engeland, van Frankrijk, van Nederlands-Limburg en van Vlaams-Branbant.  De plant heeft een lemige ondergrond nodig en komt in zandstreken niet voor.  Het Hallerbos getuigt van de kieskeurigheid van de Boshyacint.  Op hellingen die uit zand bestaan, vinden we vaak naaldbomen en een totale afwezigheid van Boshyacint en op hellingen met leem als ondergrond vinden we veelal loofbomen en massaal veel hyacinthen die de helling een paarse gloed geven die dit bos voor wandelaars zo geliefd maakt rond deze tijd van het jaar. 

De Boshyacint behoort tot de leliefamilie (Liliaceae)en wordt zoals alle vertegenwoordigers uit deze familie (bijv. ook de tulp) gekenmerkt door een bloem waarvan de bloembladeren eigenlijk bloemdekbladeren zijn, wat wil zeggen dat er geen onderscheid is tussen de kroon en de kelk.  Er zijn altijd zes bloembladeren die meestal gedeeltelijk vergroeid zijn, tot een soort klokje met 6 lippen (dat is zeker het geval bij de hyacint).  De bloem bestaat bovendien altijd uit 6 meeldraden en een stamper met bovenstandig vruchtbeginsel (i.e. het onderste deel van de stamper zit in de bloem). Bij narcissen zit het vruchtbeginsel onder en dus buiten de bloem (= onderstandig vruchtbeginsel).  Dit maakt overigens het enige verschil uit tussen de narcisfamilie (Amaryllidaceae) en de leliefamilie.  Heel vaak wordt de Boshyacint verward met de Spaanse Hyacint, die veel in tuinen staat. Deze heeft bladeren die minstens één cm breed zijn (en in de meeste gevallen zelfs 2 cm), terwijl de boshyacint heel smalle bladeren heeft (< 1 cm).  De bloemen van de Spaanse Hyacint zijn gewoonlijk wat forser en zijn bovendien niet altijd blauw, maar veeleer roze.  De Spaanse Hyacint komt voor in de Pyreneeën en de Picos de Europa en is een bergplant die hier vaak verkocht wordt en als tuinplant werd geïntroduceerd. Af en toe treft men, door het ontbreken van pigment,  ook witte boshyacintjes aan.

 

De Gele dovennetel behoort dan weer tot de lipbloemfamilie (Labiatae).  Het heeft tweezijdig symmetrische bloemen (i.e. de linker en rechterhelften zijn identiek).  Typisch voor deze familie is de aanwezigheid van een boven- en onderlip die worden gevormd door een vergroeiing van 5 kroonbladeren.  De bovenlip wordt gevormd door 2 bloembladeren, de onderlip door 3.  De lipbloemigen hebben altijd vier meeldraden : twee lange en twee korte.  Bovendien hebben ze een vierkante stengel met steeds kruisgewijs tegenoverstaande bladeren met ingesneden bladrand.  Het belangrijkste kenmerk evenwel is dat de bloemen altijd in kransen in de bladoksels staan.  Dit laatste wordt benadrukt omdat er zeer veel planten zijn met een vierkante stengel en  kruisgewijs tegenoverstaande bladeren die ingesneden zijn en die toch niet tot de lipbloemenfamilie behoren (bijv. Knopig helmkruid).     Deze planten,  die geen bloemen in schijnkransen hebben,  behoren tot de helmkruidfamilie (Scrophulariaceae).  Beide families zijn zeer nauw verwant en omvatten alle planten met tweezijdig symmetrische bloemen en vergroeide kroon.  Staan de bloemen niet in schijnkransen dat heeft men te maken met de helmkruidfamilie, staan ze wel in schijnkransen dan gaat het om de lipbloemenfamilie.  Zo heeft het Knopig helmkruid een vierkante stengel en  tegenoverstaande bladeren.  Wie de plant niet kent denkt onmiddellijk aan een lipbloemige, toch krijgt deze plant geen bloemen in kransen, maar veeleer een pluim van bloemen. Deze plant is bovendien herkenbaar aan de paarse tint op de bladeren en de stengel. Het dient onderstreept dat niet alle planten uit de helmkruidfamilie voldoen aan de kenmerken ‘vierkante stengel en tegenoverstaande bladeren’;  deze familie herbergt bijgevolg ook planten die deze kenmerken niet bezitten (bijv. Vingerhoedskruid, Ereprijs).

De dovenetel die we aantreffen is de Echte gele dovennetel. In de meeste tuinen vindt men de Gevlekte gele dovennetel.  Deze vertoont witte vlekken op de bladeren die worden veroorzaakt door luchtbellen in het bladmoes.  De wilde plant heeft echter nooit witte vlekken ook al vindt men in nogal wat bossen in Vlaanderen ook de verwilderde tuinplant terug. In het Hallerbos staat evenwel de Echte gele dovennetel : een typische bosplant voor oudere bossen.  Hij verdraagt heel veel schaduw wat eerder merkwaardig is omdat de meeste planten van dat geslacht op bermen en ruderale plaatsen voorkomen (bijv. de Paarse dovennetel en de Witte dovennetel).  Er bestaat overigens ook een Gevlekte dovennetel (eveneens een bosplant) die gekenmerkt wordt door grote gevlekte paarse bloemen.

 

Witte klaverzuring is een plant die vertoeft op en rond stronken.  Men vindt hem nooit op zeer vochtige gronden, wel op greppelwanden.  De Witte klaverzuring is van alle Europese planten degene die het meest schaduw verdraagt.  De naam Klaverzuring is ontleend aan de typische klaverachtige bladeren die scharnieren op de top. De binnenzijde van de kroonbladeren is paars geaderd.  Als het donker wordt klappen de bladeren naar beneden en ’s ochtends komen ze weer open te staan.  De plant bevat nogal wat oxaalzuur zoals zuringsoorten (bijv. Veldzuring) en smaakt daarom ook enigszins zurig. Oxaalzuur is evenwel nefast voor de gewrichten (cfr. jicht) en het bevordert de vorming van nierstenen. 

 

De Esdoorn is een tweezaadlobbige plant, wat gemakkelijk af te leiden is van de structuur van de jonge kiemplantjes.  Het eerste paar bladeren dat uit de vrucht groeit, vormt de kiembladeren. Ze lijken in niets op de eigenlijke bladeren.

 

We lopen langs een ruiterpad, met enorm veel stikstofminnende planten (door de paardenmest), o.m. Kleefkruid (Walstrofamilie – Rubiaceae).

 

De Es vertoont het wat bizarre kenmerk dat hij zich soms een jaar éénhuizig gedraagt, en soms tweehuizig. Sommige jaren treft men hem bijgevolg aan met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke bloemen, terwijl men in andere jaren op dezelfde plant bloemen van beide geslachten kan aantreffen.  De oorzaak van dit fenomeen is nog onbekend.  De vruchten zijn net zoals die van de Esdoorn gevleugeld, waardoor ze door de wind of via water kunnen verspreid worden.

Wat men bij de Es dan weer niet aantreft zijn paddestoelen.  Onder de meeste bomen vindt men in het gepaste seizoen meestal specifieke paddestoelen. Onder de Eik bijvoorbeeld komen vaak Eikhaas en de Kaneelkleurige melkzwam voor. Bij de Es vindt men dat niet, nochtans vormt ook de Es net zoals alle andere inheemse bomen een symbiose met zwammen. De Es doet dit evenwel op een zeer eigen manier: hij kweekt schimmel in de cellen van zijn wortels.  Hij laat als het ware toe dat bepaalde schimmels zich in de wortels ontwikkelen die dan voedingsstoffen uit de bodem halen en een deel ervan aan de boom afgeven.  Men spreekt dan van endomycorriza. De zwam zit binnen in de wortels van de plant. Het tegenovergestelde noemt men dan ectomycorriza : zoals de symbiose tussen Berk en Vliegenzwam.  De sporen van deze schimmels worden verspreid door bodembewonende insecten, niet zoals bij de truffel.

 

Er vliegt een halsbandparkiet over die in de beurt van Brussel met duizenden voorkomen.

 

Gewoon dikkopmos is herkenbaar aan de lichte kleur van de eindtakjes. Mossen komen hier veel voor, omdat het hier vrij drassig is.

 

De boterbloemfamilie (Ranunculaceae) behoort naast de Magnoliafamilie (Magnoliaceae) tot de meest primitieve plantenfamilie op onze aardbol.  Primitief, omwille van het groot aantal meeldraden (hoe geëvolueerd de plant, hoe beperkter het aantal meeldraden) en de spiraalsgewijze inplanting van de kroonbladeren (deze staan op de bloembodem in een spiraal).

Speenkruid is een echte boterbloem, maar wijkt sterk af door zijn bladvorm en –aantal. Het is met zijn 8 kroonbladeren de enige boterbloem op aarde met meer dan vijf kroonbladeren. Bovendien heeft Speenkruid niet de kenmerkende sterk ingesneden bladvorm van de boterbloemfamilie. De naam Speenkruid verwijst naar de knolvormige wortels, die volgens Paracelsus zouden lijken op aambeien.  Het stuifmeel geeft zelden aanleiding tot bevruchting. Daarom vermenigvuldigt de plant zich aseksueel : de wortelknolletjes, die overigens veel voedingsstoffen bevatten, scheuren door en uit het afgesplitste deel ontwikkelt zich een nieuwe plant met exact dezelfde kenmerken als de moederplant.  Dit is een snelle manier van verspreiding, vandaar dat Speenkruid altijd in hele tapijten voorkomt. Het nadeel van deze vorm van voortplanting is evenwel dat het genetisch materiaal niet vernieuwd wordt en daardoor na verloop van tijd degenereert. Blijkbaar ondervindt Speenkruid daarvan geen hinder. Het mechanisme dat hierachter schuilt is nog een bron van studie, maar zeker is wel dat het stuifmeel van de plant weinig reproductievermogen heeft.

 

Ook de Paardebloem heeft een wat unieke manier van voortplanting.  Men treft zelden paardebloemen aan met meeldraden, nochtans vormen deze bloem zaad, maar zonder bevruchting. Er bestaan verschillende soorten paardebloemen en het vormt een tijdverdrijf op zich om alle paardebloemen te herkennen.  Het melksap bij deze bloemen is geneeskrachtig door zijn waterafdrijvende functie. Het wordt dan ook gebruikt als diureticum.  De bladeren worden vaak verwerkt in slaatjes en van de bloem kan men confituur maken.

 

We vinden een kiemplant van de Beuk en ook hier stellen we vast dat de kiembladen er gans verschillend uitzien dan de eigenlijke bladeren.  De kiembladeren worden gevormd door het voedsel dat in de zaadlobben zit.   In feite bevat de vrucht enorm veel voedsel, want het geeft aanleiding tot de ontwikkeling van het keimworteltje, de stengel de groeiknop en de twee kiembladeren.  Tweezaadlobbigen hebben altijd twee kiembladeren, terwijl de éénzaadlobbigen altijd aan kiemblad hebben.

 

Salomonszegel is een lelieachtige met parallelnervige bladeren. De bloemen zijn klokvormig, met zes bloembladeren, zes meeldraden en een bovenstandig vruchtbeginsel. Uniek voor de Salomonszegel is de boogvormige stengen en de geschrankte bladeren, ze staan niet tegenover elkaar, maar zijn ‘afwisseld’ (deze term wordt ook als dusdanig in de botanica gebruikt om deze specifieke bladstand weer te geven).  De bloempjes hangen in trosjes, met meestal 3 tot 5 bloempjes die naar beneden hangen. Later komen er uit de bloemen groene bessen die zwart worden.  De volledige plant is uitermate giftig.  Hij bevat een zeer dikke wortelstok die in doorsnede volgens sommigen een S-vormige figuur vertoont, vanwaar de naam. De zegels (i.e. de lidtekens van de bladeren) zou men duidelijker kunnen waarnemen.  Er zijn in West-Europa twee soorten Salomonszegel, nl. de Gewone Salomonszegel (vroeger ook wel Veelbloemige Samolomszegel) en de Duinsalomonszegel (vroeger ook Welriekende salomonszegel) met een breder blad en één bloem per tros, die forser en dikker is. 

 

Naast de boshyacint en de Salomonszegel als vertegenwoordigers van de leliefamilie treffen we hier in het bos nog anderen lelieachtigen aan, nl. het Dalkruid, Lelietjes-der-dalen en Daslook.

 

Drienerfmuur is een typische bosplant die men elders niet aantreft.

Op verschillende plaatsen in het bos en elders rond Brussel vindt men kalkrijke kwel dat herkenbaar is aan de vegetatie.  Hij staat vaak samen met bosanemoon, speenkruid, boshyacint en salomonszegel, vaak langs paden. Er zijn slechts twee muursoorten waarvan de kelkbladeren langer zijn dan de kroonbladeren, nl. de moerasmuur (een echte moerasplant) en de Drienerfmuur (herkenbaar aan de drie nerven op de bladeren). 

Het is een plantje dat slechts weinig mensen herkennen. De twee typische kenmerken van Drienerfmuur, nl. de drie parallelle nerven op de bladeren en het verschil tussen kelk en kroon, heeft botanici ertoe aangezet om deze plant in een apart geslacht (Meringea trinervia) onder te brengen.  Tegenwoordig is er een herziening aan de gang van de anjerfamilie en is er een tendens om alle aparte groepjes weer samen te plaatsen. Ook deze groep wordt terug tot één groep (Stellaria) herleid.  Alle muurachtigen hebben drie stempels op het vruchtbeginsel. Hoornbloemen hebben daarentegen 5 stempels. Dit verschil in stempels is een goed veldkenmerk.  Muurachtigen hebben bovendien tegenoverstaande gaafrandige bladeren.  De anjerachtigen zelf hebben  een bijkelk (i.e. de eigenlijke kelk is vergroeid tot een buis en aan de voet van de kelk is er nog een kelk aanwezig met vrije blaadjes).  Binnen de grote groep van de anjerfamilie heeft men twee soorten, nl. de muurachtigen (die geen bijkelk hebben) en de eigenlijke anjerachtigen (bijv. de Dag- of Avondkoekoeksbloem : hebben een kelkbuis en bijkelk).

 

Het Vergeet-me-nietje behoort tot de familie van de ruwbladigen. De bladeren zijn enorm sterk behaard. Het determineren van Vergeet-me-nietjes is een moeilijke aangelegenheid. Zo moet men bepalen of de beharing aanliggend is dan wel afstaand.

 

Het Lelietje-der-dalen behoort dan weer tot de leliefamilie.  Het is een wortelstokplant die vaak in tuinen voorkomt, maar in feite is het een wilde plant. De plant krijgt sterk welriekende witte bloempjes, die de leliefamilie trouw, bestaan uit 6 bloemdekbladeren, 6 meeldraden en een bovenstandig vruchtbeginsel.  Eénmaal de bloemen uitgebloeid krijgt de plant rode bessen.  Heel de plant is uiterst giftig.

 

Kluwenzuring is een plantje dat in het Hallerbos veel voorkomt. In tegenstelling tot de Ridderzuring heeft deze plant nooit de rode vlekjes op de bladeren. Bovendien is het een beduidend smaller blad dan Ridderzuring. Het is een typische bosplant van zware bodems. De bloempjes staan in kransvormige kluwens en de bladeren reiken tot in de top. Het is nauw verwant met Bloedzuring, maar daarbij reiken de blaadjes van de bloeiwijze nooit tot in de top. De Bloedzuring heeft een rood-aangelopen stengel, vanwaar de naam.

 

Robertskruid behoort tot de familie van de Ooievaarsbek (of geraniumfamilie). Het verspreidt een geur van koriander. Het is aan de lange snavelachtige vruchten dat de familie haar naam dankt.  Het blad is drietallig samengesteld (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Dolle kervel).

 

Look-zonder-look behoort met zijn 4 kroonbladeren en 6 meeldraden dan weer tot de kruisbloemfamilie.  De plant krijgt langwerpige, worstvormige vruchten : de houwen.  Binnen de kruisbloemfamilie is de plant altijd te herkennen aan het wat eigenaardige blad dat een hartvormige voet heeft en een zeer grof gezaagde rand.  Er is in de groep slechts één plant die dit kenmerk vertoont, nl. Look-zonder-look.  De naam ontleent de plant aan de lookgeur die hij verspreidt na kneuzing van de bladeren. Toch heeft de plant niets gemeen met look, want dit laatst behoort tot de leliefamilie. Toch wordt ook Look-zonder-look al eens gebruikt in salades.  Het is een plant die in de Kempen wat minder voorkomt dan op rijkere leemgronden.  In het Hallerbos is het een zeer algemene plant. Het is een lichtminnende plant die men bijgevolg vooral in wat open plaatsen in het bos zal aantreffen.

 

De Californische dwergcipres of ook Californische schijncipres is een exoot die in Californië grote bossen vormt.  Hij heeft een peterselieachtige geur.

 

Dalkruid heeft een  hartvormig en kromnervig blad en er staan op een volwassen plant altijd twee bladeren die in niveauverschil staan.  Hij krijgt een tros witte bloempjes die uniek zijn in de leliefamilie, want ze hebben maar 4 bloemdekbladeren en 4 meeldraden.  Er is maar één plant in de leliefamilie die dit kenmerk vertoont. Het vormt bruine wat gespikkelde bessen die zwart worden.  De plant is net zoals het meiklokje zeer giftig. Dalkruid treft men vooral aan op boswalletjes op plaatsen waar heel weinig strooisel ligt en het komt meestal samen voor met het Gewoon pronkmos en sterrenmos (ook zij verkiezen boswalletjes zonder afgevallen bladeren).

 

Er komen in Vlaanderen drie Bosviooltjes voor : het Maarts viooltje, het bleeksprorig bosviooltje en het Dondersporig bosviooltje.  Het Maarts viooltje is het enige viooltje in bossen dat nooit bladeren op de bloeistengels heeft. Het bestaat uit een wortelrozet waaruit een bloestengel ontspringt met daarop een bloempje. Op de bloeistengel zelf staan er evenwel geen bladeren. 

Het Bleeksporig bosviooltje bevat een spoor die bleker is dan de bloem.

Is het spoor daarentegen donkerder dan de bloem dan gaat het om het Donkersporig bosviooltje.

M.a.w. het Bleek- en Donkersporig bosviooltje hebben beiden bladeren op de stengel, het Maarts viooltje heeft geen bladeren op de stengel en is bovendien veel donkerder van bloem.

 

We vinden een plant met een tweezijdig symmetrische bloem en een bloempje waarvan het onderste bloemblaadje wat kleiner is dan de overige. Het bevat 4 bloembladen en twee meeldraden. De tweezijdig symmetrische bloemen met vergroeide kroonbladeren vormen de Helmkruidfamilie. De plant die we vinden is een Erepreissoort. Het bevat kleine lilablauwe bloempjes met een vijflobbig blad. Het gaat om Klimoperepreis waarvan het blad lijkt op klimop. Hierin bestaan twee ondersoorten: de Akkerklimoperepreis en  Bosklimoperepreis. Om het onderscheid te maken moet men kijken naar de verhouding tussen de lenget en de breedte van de middenlob. Als de middenlob langer is dan breed, dan gaat het om bosklimoperepreis. Is ze breder dan lang, dan is het Akkerklimopererpreis.

 

Op de terugweg komen we nog een zeldzaamheid tegen : de Zwartblauwe Rapunzel, een plant van de kalk en leemgrond.

 

 

En we krijgen de gelegenheid om de bloem van Aronskelk, met haar merkwaardige eigenschap om insecten te lokken, te bekijken in dwarsdoorsnede.

 

Terug naar het overzicht van de wandelingen

 

Terug naar de Amenti Homepage