Excursie Elsloo (Nederland)
Datum : 22 mei 2005
Thema : Bronbos
Gids : Hans Vermeulen
Weersomstandigheden
: Wolken en zon wisselen
elkaar af, ca. 19° C.
We maken van de grote diversiteit aan
planten gebruik om te sleutelen met plantenfamilies.
·
De Kaardebolfamilie verschilt
van de composietfamilie door o.a. de tegenoverstaande bladeren, en de
afwezigheid van een buis- of lintbloem. Het plantje dat we vinden behoort tot
het geslacht Knautia arvensis (Beemdkroon).
Dit geslacht heeft een voorkeur voor kalk- en zware leembodems. Eén bloempje
heeft 4 kroonbladeren en is tweezijdig symmetrisch.
·
De Dagkoekoeksbloem (Silene dioica) behoort dan weer tot de
Anjerfamilie. Een opvallend kenmerk in deze familie, waaraan zelden aandacht
wordt besteed is de bloeiwijze : een gevorkt
bijscherm, waarbij één bloem afzonderlijk staat en uit de top van de stengel
ontspringt. Daarnaast zijn er twee zijtakken met meerdere bloemen. Bijna alle
soorten uit de anjerfamilie bezitten deze structuur. Binnen de anjerfamilie
onderkent men twee groepen : de muurachtigen met
kleine witte bloempjes met losse kelk en de eigenlijke anjerachtigen met een
kelk die tot een buis vergroeid is. Deze laatste familie herbergt enkele geslachten : o.a. koekoeksbloem (silene) en de eigenlijke
anjer. De dagkoekoeksbloem heeft rozerode bloemen en is één van de weinige
tweehuizige anjerachtigen. Er zijn bijgevolg planten die enkel vrouwelijke
bloemen hebben en andere die enkel mannelijke bloemen bezitten. Vandaar
overigens de wetenschappelijke naam die zoveel betekent als tweehuizige silene. Tussen de
planten vinden we een exemplaar met witte bloemen. De Avondkoekoeksbloem is
gelijkend op de Dagkoekoeksbloem, maar heeft witte bloemen en veel smalle
bladeren. De plant die we hier aantreffen heeft echter brede bladeren en is
daarom wellicht een kruising tussen de Dag- en Avondkoekoeksbloem. De Nachtkoekoeksbloem is een
kalkminnende soort die in Vlaanderen vooral in duingebieden voorkomt en die dan
weer een opgerolde kroonbladeren bezit. De Echte Koekoeksbloem
heeft een gevorkt bijscherm zoals we dat vinden bij de anjerfamilie. Het
bestaat uit één bloem die ontspringt in het midden met twee zijtakjes met
meerdere bloemen. Uniek voor deze plant zijn de vijf kroonbladeren waarvan elk
blad verdeeld is in twee lange en twee korte slippen. De plant heeft vijf
stijlen aan de stamper.
·
De Vergeet-me-niet (myosotis)
behoort tot de familie van de Ruwbladigen. De bladeren zijn zeer sterk behaard.
Een heel belangrijk kenmerk van deze familie is het vergroeid zijn van de
kroonbladeren. Ook staat de stamper ingeplant op de bloembodem, terwijl de
meeldraden ingeplant zijn op de kroonbladeren. Plukt men de kroonbladeren af,
dan heeft men meteen ook de meeldraden mee. Dit kenmerk komt niet veel voor bij
planten. Er
zijn verschillende soorten Vergeet-me-niet. Bij determinatie kijkt men
vooreerst naar de inplanting van de haren op de kelk. Indien de haren plat
liggen tegen de kelk zijn ze niet horizontaal afstaand. In dat geval gaat het
om het Moerasvergeet-me-nietje. Als de haren enigszins gebogen (horizontaal
afstaand) zijn, is het een Akkervergeet-me-nietje. Dit zijn de meest algemene
soorten. Op kalkrijk zand vindt men ook het Zandvergeet-me-nietje.
·
Ook Smeerwortel
(Symphytum
officinale) is in deze streek een zeer algemene plant die eveneens
behoort tot de Ruwbladigen. De bloembladeren zijn ook hier met elkaar
vergroeid. Trekt men de kroonbuis van de bloem, dan blijft de stamper op de
bloembodem staan en treft men in de kroonbuis de meeldraden aan.
·
De gewone moerascypres (Taxodium distichum) is
een boom die vooral uit de moerassen van de Everglades (Florida,US). De boom heeft kniewortels, waarlangs
de plant kan ademen. Dit zijn wortels die indien de boom in het water staat
boven het wateroppervlak uitgroeien. Kenmerkend is dat de twijgjes waarop de
naalden staan in één geheel afvallen. Het is één van de zeldzame
naaldbomen die niet groen blijven. Dit in tegenstelling tot de zeer nauw
verwante metasequoia, waarvan de takken tegenoverstaand zijn en de naalden apart
afvallen. De
metasequoia werd in ‘34 als fossiel ontdekt door Japanse archeologen en op
grote schaal gekweekt.
·
Ereprijs (Veronica) behoort tot de Helmkruidfamilie omwille van volgende
kenmerken : de bloemen zijn tweezijdig (en niet veelzijdig) symmetrisch, er zijn vier kroonbladeren, maar het
onderste kroonblaadje is kleiner dan de andere. Er zijn bovendien maar twee
meeldraden. Alle planten met tweezijdig symmetrische bloemen met vergroeide
kroon behoren tot twee belangrijke families, nl. de lipbloemfamilie of de
helmkruidfamilie. Bij de eerste familie heeft men evenwel
bloemen met een onder- en bovenlip die in kransen staan in de oksels van de
bladeren. Bij de helmkuidfamilie is dat niet het geval. De ereprijs heeft wel
bloemen in de oksels van de bladeren, maar die staan in trossen en niet in kransen. De
ereprijsoort waarover het hier gaat is de Beekpunge (Veronica
beccabunga); de bladeren zijn kort gesteeld en de bloemen zijn blauw. De
blauwe waterereprijs lijkt op Beekpunge, maar heeft zittende bladeren en witte bloempjes met blauwe aderen. De Beekpunge is een
veelvoorkomende plant aan bronbeekjes met relatief zuiver water. De naam
Beekpugne is zeer oud en de wetenschappelijke naam is ervan afgeleid. Meestal is het andersom.
·
De cypergrasfamilie omvat als
belangrijkste geslacht Carex of Zegge. Zeggesoorten zijn te herkennen aan de
urntjes (een groen omhulsel waarin de vrouwelijke bloemen vervat zitten). Een ander
belangrijk geslacht binnen deze familie is het geslacht Bies, waartoe de Bosbies
behoort. Het merkwaardige van deze plant is dat hij, ondanks de naam, bijna
nooit in bossen voorkomt. De naam werd door Linnaeus Scirpus sylvaticus genoemd. In
Skandinavische landen komt de plant inderdaad altijd voor in natte elzen- en
berkenbossen. Bij ons komt die vooral voor op plaatsen met open moerassen en
kwel. Dat hij bij ons niet meer in bossen voorkomt is wellicht te wijten aan
het feit dat in Vlaanderen veel bossen verdwenen zijn. De plant is herkenbaar aan de
driekantige stengel en zeer sterk gekielde bladeren.
·
Rode Klaver (Trifolium pratense) bevat bloemen
die samen in een hoofje staan, zonder omwindsel. Hij behoort tot de
vlinderbloemfamilie : de bloem heeft een opgaande vlag, twee zijdelingse
zwaarden en twee bloembladeren die in sikkelvorm de kiel vormen waarin de
meeldraden zitten. Rode
klaver is zeer algemeen en heeft meestal V-vormige vlekken op de bladeren. [De
gids geeft ons een mnemotechnisch middeltje mee om dit kenmerk te onthouden : voer voor vee.]
·
De Grauwe els (Alnus glutinosa) is
herkenbaar aan de spitse punt van de bladeren. Overigens mag de naam grauw
niet meer gebruikt worden en moet men tegenwoordig spreken van Witte els.
·
Kluwenzuring (Rumex conglomeratus) is een
volledig groene plant van schaduwrijke bossen. Het onderscheid met schapen- of
veldzuring kan gemaakt worden m.b.v. de bladeren die bij laatstvermelde
duidelijke slippen bevatten.
Anderzijds kan het onderscheid met Bloedzuring gemaakt worden
door de afwezigheid van de rode tint die voor de laatste zo kenmerkend is.
·
De Gelderse roos (Viburnum opulus) bevat tuilen en geen schermen. Bij een scherm zijn de hoofdstralen op
zich niet meer vertakt waar dat bij een tuil wel het geval is. De plant behoort tot de
Kamperfoeliefamilie. Typisch voor deze familie zijn volgende kenmerken
:
o
het gaat steeds om struiken; de familie bevat
geen kruidige planten,
o
de bloemen van al deze struiken
bevatten 5 kroonbladeren die met mekaar vergroeid
zijn,
o
ze hebben een onderstandig
vruchtbeginsel, dat zichtbaar is aan de onderkant van de bloem in de vorm van
groene bolletjes.
o
Ze hebben steeds
tegenoverstaande bladeren.
De Gelderse roos bevat schijnbloemen; het lijken steriele bloemen die gevormd worden door schudbladeren en die tot doel hebben insecten te lokken. De eigenlijke bloempjes zitten in het midden en de meeldraden steken eruit. Onder elk bloempje vindt men een vruchtbeginsel.
De Gelderse roos behoort tot het
geslacht Viburnum (sneeuwbal) en heeft een enkelvoudig blad. Dit in
tegenstelling tot bijvoorbeeld Vlier die een samengesteld blad heeft. De
Gelderse roos is bovendien de enige vertegenwoordiger van dit geslacht met een
handnervig blad, waardoor het doet denken aan dat van de Esdoorn. De plant krijgt mooie rode bessen die evenwel erg onwelriekend (en niet te eten) zijn.
·
Gele Kornoelje
(Cornus mas) heeft tegenoverstaande en veernervige bladeren, waarvan
de onderste nerven bijna tot de top reiken. De nerven bevatten bovendien een
elastische stof. Er
zijn twee soorten kornoelje : de gele en de rode. De Rode kornoelje heeft een rood
aangelopen stengel en wordt vaak in tuinen aangeplant. In het wild treffen we hier enkel de
Gele kornoelje aan. De bloeiwijze is net zoals bij de Gelderse Roos een tuil en
geen scherm. De bloempjes zijn wit en de vruchten zijn
geelachtig, vanwaar de naam.
·
Sneeuwbes (Symphoricarpus albus) komt
in Vlaanderen steeds vaker voor als verwilderde plant en behoort eveneens tot
de Kamperfoeliefamilie.
·
De Gewone Bereklauw (Heracleum
spondylium) komt voor in twee vormen
: op natte standplaatsen vertonen de bladeren heel spitse punten; op droge
plaatsen zijn de bladeren stomp afgerond. Bereklauw wordt bovendien gekenmerkt
door de zeer behaarde stengel.
·
Daslook (Alium ursinum) is een éénzaadlobbige plant uit de leliefamilie.
Hij bevat bijgevolg 6 bloemdekbladeren (waarbij geen verschil tussen kelk en
kroon), 6 meeldraden en een bovenstandig vruchtbeginsel. Zeer typerend voor dit geslacht (Alium
– look) is dat de bloemen in een scherm staan, wat weinig voorkomt bij
éénzaadlobbigen. Het is de enige echte looksoort die we vaak aantreffen in
wilde bossen met zware bodems met leem.
·
Aalbes (Ribes rubrum) of Rode bes (Groseille) heeft een handvormig blad, meestal
drie- of vijflobbig met kleine stekeltjes op.
·
Robertskruid (Geranium robertianum) behoort tot
de Ooievaarsbekfamilie of Geraniumfamilie. De meeste planten van het geslacht
Geranium hebben ronde bladeren. Roberstkruid is de enige vertegenwoordiger met
een drietallig samengesteld blad. In omtrek is het weliswaar min of meer rond,
maar het is duidelijke samengesteld uit drie delen. Bovendien hebben de
kroonbladeren een heel lange nagel die reikt tot onderaan in de kelk. Tot slot heeft
hij een typische geur die doet denken aan koriander. De vruchten kenmerken zich door een
lange snavelachtige structuur waaraan telkens één zaad verbonden is. Wanneer de zaden rijp zijn gaat de vrucht drogen en krimpen,
waardoor de vijf kleppen van de snavelstructuur oprollen en de zaden weg
katapulteren. In de snavel zit bovendien een centrale spil en eenmaal de
zaden weg, kan men de delen van de snavel op de spil aantreffen wat lijkt op
een paraplu. Ook
pelargonium heeft dit kenmerk.
·
Bosmuur (Stellaria nemorum) is een plant die behoort tot de
muurachtigen (de anjerfamilie). De plant is volledig behaard, de
onderste bladeren zijn gesteeld terwijl de rest van de plant sessiele bladeren
heeft en de bloem bevat 3 stijlen. Heeft het vijf stijlen en komt het voor
langs beekjes, dan is het watermuur. De bosmuur daarentegen
is een erg zeldzame plant in Vlaanderen. Grote muur is dan weer kaal met
lancetvormige bladeren.
·
Gevlekte dovennetel (Lamium maculatum) is herkenbaar
aan de vierkante stengel met gespikkelde bladeren en grote gele (lip)bloemen.
·
Spaanse Aak (Acer campetre) is een esdoornsoort. Aak is een oude term voor esdoorn die
is afgeleid van de wetenschappelijke naam Acer . Het is in wezen een
plant die uit het zuiden is geïmporteerd, vermoedelijk door de Spanjaarden in
de 16de eeuw. Bij ons komt hij vaak voor op de wat zwaardere
bodemtypes, meestal op beschutte plaatsen. De bladeren zijn gelobd. De juiste
Nederlandse naam is nu Veldesdoorn. Bij ons komt hij vaak voor in de vorm van
struiken. De vrucht van alle esdoorns bestaat uit twee nootjes met vleugels.
Bij deze plant staan ze in een hoek van 180° (horizontaal dus) waar ze bij de
gewone esdoorn een hoek van 90° vormen.
·
Kleefkruid (Galium aparine) behoort tot de walstrofamilie. Deze
familie wordt gekenmerkt door een vierkante stengel en bladeren in kransen,
alsook door bloemen met vier vergroeide kroonbladen. De kroon is viertallig,
wat weinig voorkomt bij families met vergroeide kroon. De plant mag niet
verward worden met Ruw walstro. Kleefkruid heeft immers net zoals Ruw walstro
weerhaakjes, maar in het laatste geval zijn deze veel kleiner. Bovendien staan
bij kleefkruid de bloemen in de oksel van de bladeren, terwijl ze bij Ruw
walstro in de top van de plant staan.
·
Pitrus (Junctus effusus)
is herkenbaar aan de gladde stengel. We vinden een plant die lijkt op pitrus,
maar met ribben op de stengel. Het gaat hier ofwel om Bieseknoppen of om
Zeegroene rus. Dit laatste is een plant met een blauwgroene kleur, terwijl
Bieseknoppen een geelgroene kleur heeft. De stengels van Pitrus bevat bovendien
witte moes of merg. Bij
de Zeegroene rus zitten er schijnbaar luchtbellen of gaatjes in het merg. Men
spreekt van een geladderd merg.
·
Grassen hebben een volle stengel
met knopen. De cypergrassen hebben dat niet. Het belangrijkste geslacht van
deze cypergrassen is het geslacht Carex of zegge die gekenmerkt worden door urntjes
op de aren. We vinden moeraszegge (Carex acutiformis) (met twee- tot
viertal mannelijke aar op de top en eronder één à drie mannelijke aren). Indien
dat urntje bolrond is bevat het gewoonlijk drie stempletjes, is het veeleer
afgeplat, dan bevat het twee stemplels. Dit is een belangrijk
determinatiekenmerk.
·
Bosgierstgras (Millium effusum) is een gras van
de schaduwrijke bossen op kalk en leem. Heel kenmerkend zijn de zeer kleine
aartjes die naar beneden hangen. Deze vertakte bloeiwijze wordt een pluim genoemd.
De volledige plant geeft een berijpte indruk: het lijkt alsof er witte rijp op
de plant ligt die hem een blauwgroene kleur geeft.
·
Kruipend zenegroen (Ajuga reptans) behoort met zijn
tegenoverstaande bladeren, vierkante stengel en bloemen in kransen in de oksels
van de bladeren duidelijk tot de lipbloemfamilie. Toch vertonen de bloemen van
deze plant geen bovenlip. Er zijn slechts twee geslachten in de lipbloemfamilie
waarbij de bovenlip ontbreekt. Enerzijds treffen we dit aan bij het geslacht Gamander,
waartoe ook Valse salie behoort. Anderzijds komt het kenmerk voor bij het
geslacht Ajuga (zenegroen).
·
Groot moerasscherm (Apium nodiflorum) behoort dan weer tot de composietfamilie. Het blad heeft een zeer bijzondere
laddervormige struktuur en de bladparen zijn met elkaar vergroeid. Dit is de
enige schermbloemige in Europa die dit kenmerk bezit. De plant is nauw verwant
met de selder.
·
Rietgras (Phalaris arundinacae) is te
onderscheiden van Riet door de aanwezigheid van een tongetje tussen de
bladschijf en de bladschede. Zowel Riet als Rietgras hebben
een knik in de bladeren die gekend staat onder de naam Duivelsbeet. Rietgras is een iets minder forse plant dan
Riet.
·
Adderwortel (Persicaria bistorta) behoort tot
de duizendknoopfamilie. Op elke knoop bevindt zich een bruin kokertje. De planten uit deze familie kenmerken
zich door een cilindervormige aar. Ze zijn hierdoor van zuring te onderscheiden
die veeleer een vertakte pluim bezit. De bruine kokertjes of tuitjes vinden we
terug bij zowel duizendknoopsoorten als zuring.
·
Reuzenpaardenstaart
(Equisetum telmateia) is een indicator voor kwel en bron. Hij is herkenbaar aan de bijna witte
stengel tussen het kroontje en het volgende blad. Het is de enige paardenstaart
die zulk een bleke stengel heeft. Deze plant wordt makkelijk
·
Heggewikke (Vicia sepium) behoort tot de
vlinderbloemfamilie. Dit is makkelijk te herkennnen
aan de peulen. Wikke heeft een samegesteld blad met meer dan twee deelbladeren
en een rank. Lathirus heeft een samengesteld blad met slechts twee deelbladeren
met een rank. Dat het om Heggewikke gaat is af te leiden uit de vuilpaarse
bloemen die bruin worden.
·
Dolle kervel (Chaerophyllum temulum) onderscheidt
zich van Fluitenkruid door de volle, behaarde stengel en de paarsrode vlekjes.
Fluitenkruid heeft daarentegen een holle, kale stengel
en vertoont geen vlekjes.
·
Geel Nagelkruid (Geum urbanum) behoort tot de rozenfamilie. De bloem bevat talrijke
meeldraden en kroonbladeren die op een brede bloembodem staan. De kroonbladeren
staan veeleer los (snel afvallende kroonbladeren) en vooral aan de voet van de
kroonbladeren is er veel tussenruimte. Het blad is vijftallig, maar de eerste
deelblaadjes geven de indruk steunbladeren te zijn.
·
Boszegge (Carex sylvatica) heeft een stengel met een mannelijke aar op de
top en vier à vijf afhangende vrouwelijke aren. Het is een plant die we in
feite niet meer zoveel aantreffen en die vooral voorkomt in oude bossen op kalk
en leem.
·
Eenbloemig parelgras (Melica uniflora) heeft een zeer ijle bloeiwijze met zilverachtige aartjes. Het unieke
kenmerk van deze plant is de aanwezigheid van een antiligula (lett. Tegentong) : i.e. een pin-vormig uitsteeksel in de
bladoksel. Dit is het enige gras in Europa die met deze structuur.
·
Gewone beurszwam (Volvariella gloiocephala) heeft aan de voet een beurs. De enige andere paddestoelen die dit hebben
zijn de amanieten (cfr. vliegenzwam), maar die hebben wit sporenpoeder en geen
rood-bruin sporenpoeder.
·
Eenbes (Paris quadrifolia) behoort tot de leliefamilie. Zijn
wetenschappelijke naam wijst op de aanwezigheid van vier bladeren, hoewel men
ook vaak planten aantreft met vijf bladeren.
·
Grote keverorchis (Listera ovata) is een wilde orchidee. De bloemen zijn tweezijdig
symmetrisch en bevatten 6 bloemdekbladeren, waarvan de onderste zeer lang is
(dit wordt een lip genoemd). De bladeren zijn tegenoverstaand. De kleine
keverorchis is in Vlaanderen zo goed als uitgestorven.
·
Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum) behoort
met de 6 bloemdekbladeren en 6 meeldraden weerom tot de leliefamilie. Ook
vertegenwoordigers van de narcisfamilie vertonen dit kenmerk, maar het
vruchtbeginsel bij de liliaceae is bovenstandig en bij de narcissen
onderstandig. De bloemdekbladeren van gewone vogelmelk hebben een groen band
onderaan.
·
De Kogelhoutskoolzwam (daldinia
concentrica) vertoont aan de binnenzijde in doorsnede concentrische
kringen. Deze zwam is eerder zeldzaam in Vlaanderen en komt dan bijna
uitsluitend voor op hout van Es. In kalkrijke bossen treft men hem ook aan op
andersoortige hout.
·
Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas) heeft een
voorkeur voor leem- en kalkgronden en is te onderscheiden van vrouwtjesvaren
door de ronde sporendoosjes (vrouwtjesvaren heeft kommavormige sporendoosjes en
komt meer voor op zanderige bodems). De stengel vertoont geen stekels waardoor
hij zich tevens onderscheidt van stekelvaren.